Stad en natuur: een compleet leven in een complete stad
Johan van Zoest
Wonen in de stad heeft veel voordelen. Er is veel meer werkgelegenheid dan op het platteland, de variatie aan winkels, scholen en voorzieningen is groot, en het typische stadsleven biedt levendigheid en intensiteit. Maar de stad heeft ook haar nadelen. Verkeer, drukte, lawaai, het continue bombardement van informatie, gevoelens van sociale onveiligheid en ‘opgesloten’ zitten: het vormt alles bij elkaar een forse psychische belasting. De meeste stadsbewoners vluchten daarom van tijd tot tijd naar buiten, naar de groene ruimte. Groen is een probaat middel om bij te komen van het stedelijk bestaan. Geen stad is daarom compleet zonder een groenstructuur die groentjes, parken en ommeland binnen bereik van de stadsbewoners brengt. Elke ‘goede’ stad biedt haar bewoners de kwaliteiten van stad én land, van rood en groen.
De stad is de omgeving waarin de meeste van ons het grootste deel van hun leven doorbrengen. Meer dan ooit is het daarom zaak te investeren in de kwaliteit van stedelijke gebieden als leefomgeving. Steden zijn meer dan economische knooppunten en vastgoedmachines, ze moeten ook als landschap deugen. Het moeten aangename en betekenisrijke gebieden zijn voor jong en oud.
In dit essay wil ik iets vertellen over het hoe en waarom van groen en natuur in en om de stad, over te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen en de toekomst van het groen en natuur daarin.
Begrippen
In discussies over stad en land worden verschillende termen gehanteerd om de niet bebouwde component van stedelijke gebieden aan te duiden. Sinds de 19e eeuw wordt met (stedelijk) groen de voor stadsverfraaiing en ontspanning van de stedelingen aangelegde groenvoorzieningen aangeduid, zoals parken, straatbomen, plantsoenen en volkstuinen. In moderne steden moet het begrip groen echter om twee redenen wat opgerekt worden. Ten eerste omvat groen nu ook natuurlijke begroeiingen. Was het traditionele stedelijke groen het terrein van tuin- en landschapsarchitecten, nu zijn ook binnen de steden allerlei natuurlijke elementen te vinden. Ten tweede wordt tegenwoordig het ommeland eveneens tot de groenstructuur gerekend. Denken we bij stedelijk groen aan groene ruimten van een beperkte oppervlakte, met het ommeland hebben we te maken met – meestal agrarisch – landschap. Overigens werd al in de 17e eeuw (en waarschijnlijk al eerder) het landschap rond de stad voor wandelingen, sport en spel gebruikt, maar dit werd niet zozeer als een functie van het gebied ervaren. Het was er gewoon.
De terminologische discussie is nog verre van afgerond. Sommigen beschouwen om ideologische redenen groen als een bijzondere vorm van natuur, andere zien (stads)natuur als een variant van stedelijk groen. In dit essay gebruik ik (stads)natuur in de laatste zin. Onder ‘groen’ versta ik dus zowel traditioneel groen, natuur als landschap.
Hoe je groen en natuur ook wilt definieren, de functie en het karakter ervan wordt voor een belangrijk deel bepaald door de grootte en de ligging van groengebieden. Je kunt drie basisvormen onderscheiden, namelijk woonomgevingsgroen, parken en stadsrandgebieden:
- Het woonomgevingsgroen bestaat uit het groen dat het stedelijke weefsel als een haarvatennet dooradert, zoals bomenrijen, tuinen, bermen en oevers. Het dient vooral als aankleding van de openbare ruimte en biedt kleinschalige mogelijkheden voor recreatie om de hoek (speelplekken, groentjes en dergelijke).
- Parken vormen groene enclaves in het stedelijke weefsel (‘park’ is etymologisch verwant met ‘inperken’). Enerzijds vormen ze oases in de drukte van de stad, anderzijds maken ze deel uit van het stedelijke leven. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen de vooroorlogse parken, die als scherp afgebakende eenheden in compact stedelijk weefsel liggen; de naoorlogse parken, die veel diffuser begrensd zijn en in suburbane gebieden liggen, en de stadsrandparken, die een bufferstrook vormen tussen stad en buitengebied.
- Stadsrandgebieden vormen door hun schaal een duidelijk contrast met de stad en bieden – meer dan parken – het gevoel ‘er uit’ te zijn. Ze omvatten een bonte veelheid van groene landschapstypen, zoals landbouwgebied, sportparken , volkstuinen, begraafplaatsen, recreatiegebieden en stadsbossen, verruigde gronddepots, slibdepots en vuilstorten, enzovoort. Het is vaak lastig grenzen aan te geven. Sommige stadsrandgebieden lopen vloeiend over in het regionale landschap, andere worden begrensd door bebouwing of infrastructuur en hebben het karakter van een landschapspark of ‘land in de stad’.
Uiteraard is met deze indeling nog lang niet alles gezegd over de functie, de openbaarheid en de natuurlijkheid van het groen. Meestal heeft het binnenstedelijke groen de gedaante van parken, hoewel sportparken, volkstuinparken en begraafplaatsen soms ook als eilanden in de stad liggen. Doorgaans echter worden dit soort niet openbare, extensieve functies door ruimtelijk economische druk meestal naar de stadsrand geduwd. Alleen groen met een openbare recreatiefunctie en een intensief gebruik is meestal sterk genoeg om binnen de stad overeind te blijven.
Alle vormen van groen in en om de stad kunnen een meer of minder natuurlijk karakter hebben. De graad van natuurlijkheid definieer ik als de mate waarin gebieden zich vrij kunnen ontwikkelen, dus zonder ontwerp- of beheerdwang. Hoe meer architectonisch een gebied is ingericht en/of hoe intensiever het beheer is, hoe minder natuurlijk zo’n gebied genoemd kan worden. Aan de cultuurlijke kant van het spectrum liggen historische parken, sportparken, volkstuinen en dergelijke, aan de natuurlijke kant niet ingerichte en onbeheerde ruigteterreinen (zoals oude slibvelden en vuilstorten), extensief beheerde bermen en graslanden (zoals uitgeefbare kavels op bedrijventerreinen), extensief beheerde delen van stadsbossen en recreatiegebieden, extensief agrarisch landschap en natuurontwikkelingsgebiedjes. Heemtuinen vormen een moeilijk te plaatsen hybride.
In de praktijk beoordelen mensen natuurlijkheid met twee brillen, althans binnen de stedelijke context. Op een globaal niveau maakt men geen noemenswaardig onderscheid tussen groen en natuur. De bomen in de straat, de bloemen in het perkje en het riet langs de oever behoren allemaal tot ‘natuur’ of ‘groen’. Maar binnen die algemene categorie natuur of groen maken mensen desgevraagd wél onderscheid tussen meer en minder natuurlijk groen. Uit cognitiepsychologisch onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat mensen heel snel en gemakkelijk landschapsbeelden kunnen indelen naar de mate van menselijke beïnvloeding, hoe gradueel dit ook is.
Vrij levende planten en dieren (‘urban wildlife’) zijn in elk type groen te vinden. In de Amsterdamse binnentuinen komt bijvoorbeeld af en toe een sperwer tot broeden. Over het algemeen is de biodiversiteit echter groter in de meer natuurlijke vormen van groen. Strak vormgegeven parken a la Parc la Villette bijvoorbeeld zijn ecologisch beschouwd groen asfalt. De soortenrijkste groengebieden zijn meestal heterogene ruigtelandschappen in de stadsrand, zoals begroeide gronddepots en begroeide spuitvelden.

Groeiende vraag naar natuur in en om de stad
De laatste decennia valt er een sterk groeiende belangstelling voor natuurlijk groen te zien. Dit valt niet alleen af te leiden uit de menigte publicaties, symposia en projecten op dit terrein, maar ook uit onderzoek, zoals uitgevoerd door Bureau Intomart in het kader van Operatie Boomhut van het ministerie van LNV. Deze ontwikkeling gaat te opvallend samen met de toenemende verstedelijking om die te kunnen wegverklaren als modeverschijnsel. De meest waarschijnlijke verklaring is dat (i) mensen een structurele behoefte hebben aan groen in hun omgeving en (ii) dat vraag en aanbod in dit opzicht steeds verder uit evenwicht zijn geraakt. Het eerste punt komt in de volgende paragraaf aan bod. Voor wat het tweede punt betreft, is het duidelijk dat de beschikbaarheid en bereikbaarheid van groen met het groeien van de steden afneemt. Waren steden eeuwenlang rode bolletjes tegen een groene achtergrond, vanaf de tweede helft van de 19e eeuw en vooral vanaf de jaren 1950 zijn de steden in Nederland explosief over het omringende landschap uitgegroeid. In diverse delen van het land zijn stedelijke agglomeraties ontstaan die stukken landschap – interstedelijke gebied – insluiten. We kunnen zelfs spreken van een landschappelijke inversie.
Tegelijkertijd is het landelijke gebied in vele opzichten verstedelijkt, onder meer door de groei van kleine kernen, de intensieve dooradering met infrastructuur en de moderne landbouw. Het morfologische en culturele contrast tussen stad en land is sterk vervaagd. De ‘echte’ natuur – van bossen en ruige natuur tot oude agrarische cultuurlandschappen - is teruggedrongen tot de Ecologische Hoofdstructuur, diep in het landelijke gebied.
Ook de verdichting van het stedelijke gebied, een ontwikkeling die in de jaren ’80 is ingezet, speelt een rol. Met de herstructurering van suburbane, naoorlogse woongebieden worden hogere dichtheden gerealiseerd, waardoor het oppervlak aan woonomgevingsgroen en parken afneemt en er dus ‘lucht’ uit de stad wordt geknepen.
Kortom, het aanbod van gebieden met (potentiele) natuurkwaliteit binnen het wandel- en fietsbereik van de stedeling is (sterk) aan het afnemen. Dit wordt bevestigd door recente modelberekeningen van Alterra die een groot tekort aan recreatieve uitloopmogelijkheden rond de grote steden laten zien.

Psychologische hulpbron
Dit zou allemaal geen probleem zijn als mensen zich gemakkelijk aan intensief-stedelijke situaties zouden kunnen aanpassen, of als grote steden inwoners zouden trekken die met minder groen toe kunnen, of als de mobiliteit zo groot zou zijn dat ook regionaal groen voor iedereen gemakkelijk bereikbaar blijft. Uit demografische, recreatieve en mobiliteitsstudies zijn hiervoor echter geen aanwijzingen te vinden. Mensen wonen alleen in compacte, niet-groene wijken als ze daar door economische omstandigheden toe gedwongen zijn of er sprake is van een of andere compensatie (grote woningen, grote parken die binnen bereik liggen). Ook blijkt de bevolking van grote steden qua recreatiebehoefte niet beduidend af te wijken van kleinere steden. En tenslotte blijken, ondanks de enorm toegenomen algehele mobiliteit, recreatieve tochten nog steeds over korte afstanden plaats te vinden (een straal van ongeveer 10 kilometer).
Dat de stedelijke bevolking geen behoefte aan groen/natuur zou hebben, is ook niet te verwachten, omdat er steeds duidelijker aanwijzingen zijn dat de behoefte aan groen een structurele, biologische component in de menselijke psychologie vormt. Met andere woorden, de behoefte om de stad van tijd tot tijd te kunnen ontvluchten zou geworteld zijn in diepgewortelde psychologische behoeften. De belangrijkste argumenten voor deze stellingname zijn:
- De menselijke soort(en) hebben meer dan 95% van hun evolutionaire bestaan in natuurlijke omgevingen doorgebracht. Een voorkeur voor gunstige omgevingen en het vermijden van ongunstige omgevingen waren hierbij van levensbelang. Het is zeer onwaarschijnlijk dat dit mechanisme van habitatselectie in een evolutionaire oogwenk verdwenen zou zijn. Tal van experimenten hebben inmiddels aangetoond dat de ‘Pleistocene’ reactie van mensen op omgevingen nog steeds aanwezig is.
- Onderzoek aan de angstrespons en andere emoties heeft duidelijk gemaakt dat de hersenen binnenkomende informatie ook zonder veel cognitieve bewerking kunnen beoordelen. Met andere woorden, mensen beoordelen informatie deels in ruwe vorm op basis van niet-aangeleerde criteria (figuur).
- Onderzoek aan omgevingsvoorkeuren laat een duidelijke en constante voorkeur voor natuurlijke omgevingen zien. In meer dan 100 studies, waarvan een deel cross-cultural, tonen proefpersonen die geconfronteerd worden met meer en minder natuurlijke beelden, in overgrote meerderheid een preferentie voor de meer natuurlijke beelden. (Deze voorkeur is uiteraard vrijblijvend; de proefpersonen hoeven niet op de loop te gaan voor een woedende beer). Ook uit woonvoorkeuren, huizenprijzen en recreatiebestemmingen komt de voorkeur voor natuurlijke/groene omgevingen naar voren.
- Het waarnemen of beleven van groen/natuur heeft duidelijke herstellende effecten. Het is een probaat middel voor herstel van ‘mental fatigue’ (concentratievermogen) en van stress. Alleen al het zien van natuurlijke beelden leidt tot herstel van stress-symptomen, afgemeten aan hartslag, bloeddruk, huidgeleiding en dergelijke, verbetering van stemming en een betere buffering tegen nieuwe belastende situaties.
- Verschillende onderzoekers hebben daarnaast gewezen op de mogelijkheid voor persoonlijke groei die een verblijf in een groene omgeving biedt, dat wil zeggen het ontwikkelen van nieuwe gevoelens en inzichten over het zelf, de anderen en de wereld. Sommige recreatie-onderzoekers vergelijken de meest intense recreatieve ervaringen met mystieke momenten, ‘kippevel’ervaringen waarbij je plotseling doorkijkjes naar de diepere structuren van het leven krijgt. De beelden en gevoelens die je je leven lang niet meer vergeet.
| Zelfs al tijdens de eerste grote verstedelijkingsgolf, in Romeinse tijd, was er sprake van anti-stedelijke sentimenten. Zo verbindt Vergilius In ‘Het Boerenbedrijf’ de mythische Gouden Eeuw met het eenvoudige geluk van de landman, ver weg van het hectische en overdadig luxueuze bestaan in de stad. | |
| “Welzalig boerenvolk, - als het tenminste besef had van zijn eigen zegeningen! [..] Zij zoeken rust in onbekrompen ruimten met grotten, zuivere meren, koele dalen. Men kan er nog geloei van koeien horen en heerlijk slapen onder loof van bomen. Er zijn nog weiden in de bergen, wouden waarin het wild zijn legers heeft gevonden.” |
|
De speciale rol van natuur
Tot nu toe is er geen scherp onderscheid gemaakt tussen groen en natuur. Toch neemt natuur, zoals hierboven gedefinieerd, om een aantal redenen een belangrijke, onvervangbare plaats in het groenspectrum in.
Ten eerste heeft natuur een enorme symbolische lading. Het vertegenwoordigt de niet door mensen gemaakte wereld, het leven zelf. Dat geldt des te meer voor de wildernis, de ongetemde natuur, waar de ordenende hand van de mens het minst in zichtbaar is. Alle fundamentele kenmerken van het menselijke bestaan hebben hun pendant in de natuur: groei en verval, regelmaat en onvoorspelbaarheid, samenwerking en concurrentie, geboorte en sterfte. Het is de wereld die miljarden jaren voor de komst van de mens bestond en er ook zal zijn als wij weer van het podium verdwenen zijn. De visie die iemand op de natuur heeft, is verweven met de diepst gewortelde attitudes. Dit verklaart voor een deel de soms ingrijpende psychologische ‘groei’-effecten van wildernistochten. Maar ook ‘kleine natuur’ kan hierin een rol spelen. Zoals Aldo Leopold schreef: “The weeds in an urban lot convey the same message as the redwoods”.
Ten tweede leveren natuurlijke landschappen een ander beeld op dan gecultiveerd groen. Natuurlijke landschappen hebben meestal een aanzienlijk grotere structuurvariatie en scoren daardoor hoger op ‘mystery’ en complexiteit (mystery hangt samen met de mate waarin je kunt voorspellen wat je te zien krijgt als je je voortbeweegt in het landschap. Slingerende wegen, bosschages en dergelijke voegen mystery toe aan het landschap). Gecultiveerd groen daarentegen wordt vooral gekenmerkt door orde (denk aan de baroktuin). Van de traditionele tuin- en landschapsarchitectuur heeft de Engelse landschapsstijl, met name die van de Picturesque-periode, nog de meeste ‘natuurlijke’ complexiteit.
Ten derde biedt natuurlijk groen andere recreatiemogelijkheden. Het is bij uitstek geschikt om wandelend, joggend, fietsend of vissend van de omgeving te genieten, al of niet met de hond erbij, en al mijmerende in jezelf te wandelen. Ook avontuurlijke vormen van recreatie, zoals hutten bouwen, oorlogje spelen of – krijgertje voor volwassenen - survivalen met behulp van de GPS, behoren tot de mogelijkheden. Daarnaast is natuurlijk groen uiteraard het speelterrein van natuurvorsers.
Ruimtelijke ontwikkelingen
Als we het uitgangspunt van een structurele menselijke behoefte aan groen naast de recente stedelijke ontwikkelingen zetten, is het niet moeilijk enkele trends te ontwaren in de relatie tussen stad en natuur.

Verdichting naoorlogse woongebieden. De ruim opgezette naoorlogse woongebieden zullen de komende jaren worden geherstructureerd en verdicht. De achtergrond ligt in een nieuwe populariteit van ‘stedelijkheid’ (de tuinsteden zijn te saai), het compacte stad-beleid (schaarste aan ruimte) en het feit dat deze woongebieden niet meer aan de eisen van de moderne tijd voldoen. Netto zal dit leiden tot een afname van het woonomgevingsgroen. Ook veel naoorlogse parken zullen wat kleiner uit de herstructurering te voorschijn komen en intensiever benut worden. Verwacht mag worden dat het verlies aan woonomgevingsgroen voor een deel gecompenseerd zal worden in ontwerpkwaliteit en beheer. Daarnaast ligt een extra impuls in ‘greening the city’ voor de hand, het benutten van gevels en daken voor groen en het verwijderen van overbodige verharding. In deze ‘minder, maar beter’ ontwikkeling zullen allerhande mogelijkheden voor natuur in de wijk worden benut. Vanwege de zware randvoorwaarden vanuit het gebruik, beeld en beheer zal dit natuur met een kleine n zijn: kleinschalige natuurvoorzieningen gericht op gemakkelijke planten- en diersoorten, zoals bloemrijke bermen, wijknatuurtuinen, natuurvriendelijke oevers, tegeltuinen, daktuinen, natuurvijvers en egelprojecten in binnentuinen, nestkastprogramma’s, enzovoort.
Parken. De parken in de vooroorlogse delen van steden zijn zeer geliefd. De problemen hier liggen vooral op het vlak van beheer, herstel van cultuurhistorische kenmerken, chirurgische vernieuwingen en waterproblemen (deze parken werden in de liberale 19e eeuw het liefst op slechte bouwgrond aangelegd). De naoorlogse parken zullen echter een metamorfose ondergaan als gevolg van de herstructurering van de naoorlogse suburbane gebieden. In de herinrichting van deze parken zijn drie ontwikkelingsrichtingen populair, namelijk (i) art parks zoals Parc la Vilette, (ii) ecologieparken en (iii) doorgaan in de neoromantische traditie. In de grotere naoorlogse parken kunnen alle drie benaderingen ruimte krijgen. Er zouden dan parken ontstaan met een intensieve zone, gecombineerd met musea, horeca en dergelijke, met meer traditioneel ingerichte delen, geschikt voor een afwisselende wandeling en het bewonderen van tuin- en parkarchitectuur, en met een natuurgedeelte, bijvoorbeeld een combinatie van heemtuin, kinderboerderij en moerasje/waterberging.

Stadsrand. Met het verdichten en intensiveren en deels ook groeien van de steden, zal de aandacht van het buitengebied voor de stedelijke recreatie alleen maar toenemen. Mensen hebben nu eenmaal de behoefte het stratenlandschap van de stad te verwisselen voor bossen, natuurgebieden en landelijk gebied. Om deze recreatieve hulpbron veilig te stellen, zal stevig ruimtelijk en financieel beleid moeten worden ingezet: harde afspraken over grenzen aan bebouwing alsmede nieuwe geldstromen van de consument – de recreërende stedeling – naar de producent – de beheerder van het landelijke gebied. Hiervoor zal een afgewogen mix van toegangsprijzen, gemeentelijke en landelijke belastingen en rood-betaalt-groen constructies moeten worden gemaakt.
De stadsrand is geen duidelijk af te bakenen, homogene band om een stad. Het is een in breedte variabele stedelijke invloedssfeer, die zich manifesteert in veranderingen in grondeigendom, grondprijzen, dichtheid van infrastructuur, recreatief gebruik door stedelingen en bewoning door mensen die in de stad werkzaam zijn. Was de binnenste stadsrand tot nu toe het land dat op het punt stond bebouwd te worden, nu is er aanleiding om de stadsrand plaatselijk te fixeren. Dat vraagt grote investeringen in de landschappelijke en recreatieve kwaliteit van stadsrandgebieden, uiteraard met respect voor ecologische en cultuurhistorische waarden. Vooral de contactpunten tussen stad en land – de gebieden waar het recreatieve verkeer zich concentreert – zijn in dit opzicht van belang. Hier kunnen zogenaamde schakelparken worden ontwikkeld, recreatiegebieden die als een poort tussen stad en land kunnen fungeren. Ze hebben een redelijk intensief recreatief programma, waardoor ze zowel mensen trekken als vasthouden. Hiermee dragen ze bij aan het gezicht van het achterland en kunnen ze ook financieel bijdragen aan de beheerkosten.
De stadsrand biedt bij uitstek de mogelijkheid voor het ontwikkelen van grootschaliger natuur. De aanleg van moeras en bos ligt op veel plaatsen het meest voor de hand. Steden zouden echter zuinig moeten zijn op de restanten oud cultuurlandschap rond de stad, als tastbare herinneringen aan het verleden en dragers van de regionale identiteit.
Semi-openbare groenvoorzieningen.Op semi-openbare groenvoorzieningen als sport- en volkstuinparken en begraafplaatsen zal druk worden uitgeoefend om ze een meer openbare publieksfunctie te geven. Kleinschalige natuurontwikkeling in de singels en de ringsloten is een goede mogelijkheid. Bij de sportparken is een bijkomend gegeven dat door de teruglopende ledentallen er vanuit de sportwereld de roep wordt gehoord deze gebieden te intensiveren met publiekstrekkers (leisurevoorzieningen).

Groene netwerkstad.In de 5e nota wordt naast het compacte stadbeleid ook regionale samenwerking in stedelijke netwerken bepleit. Dit laatste is alleen mogelijk door taakverdeling tussen steden voor wat betreft wonen, werken en dergelijke, en snelle, goedkope en comfortabele verbindingen tussen steden. Theoretisch zou ook voor openluchtrecreatie het netwerkmodel kunnen gelden: mensen zouden voor regionale groenvoorzieningen wat verder weg in het netwerk moeten zijn. Dit zou dan alleen moeten gelden voor echte trekkers van allure, zoals de Oostvaardersplassen en het Naardermeer. Voor het overige moet elke stad zijn eigen, complete aanbod van groen verzorgen. Geen mens gaat voor ommetjes of dagtochten veel verder dan tien kilometer.
De stad als mozaïek: naar een integratie van rood en groen
De discussie over stad en land staat in het teken van de spanning tussen rood en groen, tussen bebouwd en open. De bebouwingsdichtheid bepaalt nu eenmaal in zeer grote mate de economische, recreatieve en ecologische waarde van een gebied. Toch zou het voor de discussie goed zijn wat meer nuance in het kleurenpalet te brengen. Binnen een stad zijn immers vele ‘tinten’ groen te vinden, met elk hun eigen gebruik en sfeer. Denk aan statige historische parken, sportparken die in het weekend een sfeer van sportiviteit en clubgevoel hebben, begraafplaatsen die een bepaalde sereniteit hebben en tot contemplatie uitnodigen, en oud agrarisch landschap, dat ons verbindt met de vele generaties voorouders die vanaf de Middeleeuwen het land hebben bewerkt.
Groen/natuur is slechts één kleur in de lappendeken van plekken die elke stad vormt. De stad is een adventure game van plekken met elk hun eigen gebruiksmogelijkheden en sfeer, met elk hun eigen kleur. De stedenbouwkundige Tom Turner spreekt over ‘harlekijnruimte’:
“Groene ruimte is prima. Het is zacht en ontspannend [..] Maar groen is niet de enige kleur. Andere tinten, andere emoties en andere mogelijkheden kunnen worden beschouwd en vervolgens ontworpen. [..]. Van tijd tot tijd voelen we ons graag alleen, de gezelligheid zoekend, avontuurlijk, verliefd, agressief, verveeld en opgewonden. Deze, en alle andere stemmingen, waarvan sommige kunnen worden gesymboliseerd door kleuren, verdienen accommodatie in de openbare ruimte van een stad. Kortom, we hebben harlekijnplannen nodig voor harlekijnruimte, passend bij ons harlekijnleven.”
Hieronder Turner’s associaties met verschillende stedelijke kleuren. Natuurlijk is zijn specifieke interpretatie niet zozeer van belang, maar de manier van denken.
| Rood | Opwindende plekken, kermis, feestelijk, veel mensen, redlights |
| Blauw | Sereen en koel, met water overal en sensualiteit onder het oppervlak. Fonteinen, golven, watervallen .Steden kunnen het zich niet veroorloven te zijn zonder zichtbaar, voelbaar, zwembaar water, volledig toegankelijk voor het publiek. |
| Geel. | Moet de belangstelling prikkelen, met een veelheid aan dingen te horen, zien, ruiken en aanraken. Zoals natuur, rijk gestructureerde habitatsmet wildlife |
| Oranje | Vrolijk met beweging, lachen en plezier. Markten en winkelstraten, drukke waterfronten, sportvelden in het weekend. |
| Paars | Mysterieus, krachtig en schaars. Kalm maar met drama lurkingin de schaduwen. Kloven, putten, holen en smalle paden door dichte wouden zijn paars. |
| Bruin | Heilzaam en bevredigend, als de geur van verse omgespitte aarde, het openluchtequivalent van verse koffie. Stedelijke ruimte kan ook bruin zijn, als het belangrijkste materiaal bestaat uit bodem, hout, baksteen en natuursteen, zoals in stadsbossen of oude binnensteden. Denk aan een hele wereld van gemaaid gras en cement: het zou een crematorium zijn. |
| Grijs | Plechtig, zoals rond grafmonumenten en herdenkingsplaatsen, ons aanmoedigend te reflecteren over de eindigheid van het leven en de overledenen in herinnering te brengen. |
| Wit | Staat voor de projectie van je ziel. Op een witte bergtop “your mind expands to the limits of your imagination”. In steden zouden hoge gebouwen die mogelijkheid kunnen bieden. |
| Groen | Arcadisch of avontuurlijk, maar herstellend en verfrissend in elke zin. |
Als er een systeem zou kunnen worden ontwikkeld om de ‘kleur’ van een plek vast te stellen, zou er voor een stad een sfeerkaart kunnen worden gemaakt, die in een GIS zou kunnen worden ondergebracht. Daarin zouden ook de kenmerken kunnen worden vastgelegd waarvan de belevingskwaliteiten van die plek van afhankelijk zijn (monumentale bomen, historische gevels, toegankelijk water, gemengd winkelaanbod enzovoort). Zo’n functie/sfeerkaart zou ook kunnen dienen als beleidsinstrument, bijvoorbeeld om inzichtelijk te maken welke openbare ruimten ontwikkeld of beschermd moeten worden, en om te bewerkstelligen dat de stad niet flets wordt, maar een veelkleurig palet van buitenruimten bezit, zowel in als om de stad. Zodat mensen een compleet leven in een complete stad kunnen leiden.