Het wilde dierenleven in het hart van Amsterdam: een faunistische inventarisatie van het stadscentrum

Ruud Vlek

Inleiding
Wilde dieren in het centrum van Amsterdam, daarvoor moet je toch in Artis zijn?
Maar wat weten we eigenlijk over de wilde fauna in de binnenstad, buiten de dierenverblijven van Artis? Daarvan hebben we maar een zeer fragmentarisch beeld, dat een nadere reconstructie waard is.

Steden, en zeker binnensteden lijken betrekkelijk arm aan dieren, omdat ze voor veel diersoorten geen belangrijke plaats voor voedselvergaring en voortplanting vormen, vanwege de mensendrukte en het weinige groen. Enkel de echte stadsvogels, vaak cultuurvolgers van de mens, bereiken mede als gevolg van het ontbreken van hun natuurlijke vijanden in binnensteden aanzienlijke dichtheden. Bij nadere beschouwing blijkt er echter een grote diversiteit aan dierlijke levensvormen in de Amsterdamse binnenstad aanwezig. Dit komt mede doordat in het stadscentrum uiteenlopende biotopen voorkomen, die elkaar aanvullen en waartussen uitwisseling bestaat.
De verschillende biotopen, die voor de diverse diergroepen in de binnenstad beschikbaar zijn, hebben een zeer ongelijke omvang. Daarom moeten we naast hun voornaamste kenmerken ook het aantal hectare oppervlak berekenen dat ze innemen. Vervolgens zullen per diergroep de algemeenste en meest in het oog springende representanten aan de orde komen, alsook enige onregelmatige en zeldzame soorten daaronder.

Biotopen in de stad
Tot het Amsterdamse centrum rekenen we het gebied omsloten door de buitenste singelgracht (Nassaukade/Stadhouderskade, Mauritskade) en het IJ. Daartoe behoren dus de eigenlijke binnenstad (daterend van 1300-1600) en de 17de eeuwse grachtengordel, en de overige wijken van het centrum: de oostelijke en westelijke eilanden, de Nieuwmarktbuurt en de Plantage, alsook de Jordaan. Al deze wijken dateren van vóór 1850. Naast de overheersende oudbouw daterend van de 16de en 17de eeuw staat er op diverse locaties, merendeels aan de randen van het gebied, moderne nieuw- en hoogbouw uit de tweede helft der 20ste eeuw (Stationseiland, Rembrandtplein en Vijzelstraat, Waterlooplein en Weesperstraat, Roeterseiland en Frederiksplein).

In het centrum zijn grofweg drie hoofdbiotopen te onderscheiden die voor het dierenleven van belang zijn:

  1. het stadswater,
  2. de bebouwde omgeving, en
  3. de binnentuinen en openbare groenvoorzieningen.

I. Het stadswater
Het ruim aanwezige stadswater vormt een primair biotoop, waarmee vermoedelijk ook het dierenleven in de overige milieus samenhangt. Dat omvat een reeks aan water gebonden diergroepen: aquatische macrofauna (schaaldieren en kreeftachtigen, groter dan een halve millimeter), vissen en kreeften, watermollusken (34 soorten) en watervogels (ca. 10 soorten); deze diergroepen vormen onderling een ‘voedselweb’. Zij hebben een fors gebied tot hun beschikking. De Amstel, de grote grachten, zij-grachten en singelgrachten beslaan 167 hectare. Inclusief het tot het stadsdeel behorende deel van het IJ (rond het Centraal Station), het Oosterdok en de kanalen rond de oostelijke eilanden neemt water totaal 200 ha. in beslag. Het water in de eigenlijke grachtengordel is een kleine 100 ha. groot. Dit is ongeveer gelijk aan de oppervlakte van tweemaal het Vondelpark. Het oppervlak aan binnenstadsgrachten was vroeger groter, tot verscheidene ervan in de tweede helft van de 19de eeuw gedempt werden ten behoeve van het verkeer.
Vóór de afdamming van de Amstel en het IJ stond het gebied in open verbinding met de zoute Zuiderzee. Eb en vloed werden gebruikt voor de doorspoeling en verversing van het grachtenwater; een sluizensysteem hield het waterpeil van het grachtenstelsel op niveau, tegen te sterke eb of te hoge vloedstroom. Niettemin veroorzaakten springvloeden soms overstromingen van delen van de binnenstad (1637, 1651, 1775). Tot de aanleg van de Oranjesluizen in het IJ (1875) waren het grachtenwater en de binnen-Amstel een brakwatergebied, dat ook als open riool dienst deed. Stank en vervuiling van het oppervlaktewater werden steeds meer als probleem ervaren. Pas door de recente aansluiting van de binnenstad op riolering (1980-1990) is de waterkwaliteit verbeterd, waardoor de grachtengordel voor diverse diersoorten (zoetwatervissen, visetende watervogels) aantrekkelijker is geworden. Door de terugdringing van het zoute en brakke water zijn zoutminnende en zeegebonden soorten evenwel verloren gegaan (zeevissen, zout- en brakwatermollusken). Het grachtenwater wordt tegenwoordig ververst met water uit het IJsselmeer. In de zomer worden de grachten vier keer per week ’s nachts doorgespoeld (bij warm weer dagelijks), ’s winters tweemaal per week. Niet alleen worden zo stadsvuil en vervuild water afgevoerd en ververst, ook betekent het verbetering van het zuurstofgehalte, hetgeen voor waterbewonende dieren van belang is. Naast deze positieve dynamiek wordt dit zoetwaterbiotoop verstoord door het gebruik door boten (tegenwoordig vooral rondvaartboten, alsook door woonboten zonder aansluiting op het riool). In 2007 zullen uiteindelijk ook woonbootbewoners aangesloten zijn op het riool. Woonboten vormen evenwel ook een rust- en broedplaats voor watervogels. Langs de grachten in de binnenstad staan ca. 5000 - 7800 iepen, die broedgelegenheid bieden aan diverse soorten kraaiachtigen, duiven en kleinere insekteneters (mezen, boomkruiper).
Het weinige grote water in het centrum, zoals het IJ en de Amstel, is druk bevaren en weinig voedselrijk en heeft zodoende pleisterende watervogels weinig te bieden. Pas bij strenge vorst worden deze openblijvende binnenwateren aantrekkelijk voor duikeenden, verdreven van een dichtvriezend IJsselmeer.

Naast de biotoopverschillen tussen het grachten- en het grotere buitenwater, verschillen de grachten onderling wat betreft het habitat dat ze dieren bieden: grachten met veel woonboten en grachten met kale kades verschillen sterk qua vervuiling, voedselrijkdom en broedgelegenheid. Onder de bruggen huizen soms kolonies stadsduiven. Oude kademuren bieden nestgelegenheid aan ratten.
De kennis van de dierenwereld in en langs de grachten is tamelijk schaars en zeer fragmentarisch. Het belang van dit biotoop als levensgemeenschap voor dieren is nog nauwelijks systematisch in kaart gebracht.

II. De bebouwde omgeving
De tweede allesoverheersende biotoop in het stadscentrum wordt uiteraard gevormd door de bebouwde omgeving. Het bewoonbare gebied beslaat zo’n 417 ha. Daarnaast omvat het centrum nog zo’n 136 ha. industriegebied en 46 ha. verkeersinfrastructuur. De bebouwing is niet hoog, maar betrekkelijk aaneengesloten, enkel afgewisseld door grachten en doorgaande wegen. Merendeels hebben de huizen schuine daken. Sommige panden in de grachtengordel, in de Plantage en de Jordaan hebben zgn. Mansarde-daken, vanwege hun stijlheid het voorkeursdak voor Gierzwaluwkolonies. Grote platte grinddaken zijn er betrekkelijk weinig. Het centrum telt zeven hogere kerktorens, die vóór hun afgazing tegen duivenoverlast geschikt waren als broed- en pleisterplaats voor o.m. Torenvalk, Kerkuil en vleermuizen.
De daken langs de grachten worden vooral ’s winters gebruikt als pleisterplaats van meeuwen, die dagelijks de stad intrekken om op straat en in het grachtenwater hun kostje bij elkaar te zoeken. Vanaf februari tot in april klinkt hier de luide baltsroep van Zilvermeeuwen.

In de huizen leeft een aantal diergroepen als voedselparasiet of als overwinteraar. Diverse soorten insekten, zoogdieren en vogels zijn duurzaam aangewezen op gebouwen en woningen. Bij overlast komt de gemeentelijke Dienst Ongediertebestrijding (DOB) of de Dierenambulance eraan te pas.

Het meest talrijke zoogdier is de mens. De woondichtheid was vroeger nog hoger dan heden ten dage. Zo woonden er eind 16de eeuw zo’n 100.000 mensen in de kern van de binnenstad, thans wonen er zo’n 80.000 in het centrum als geheel. De huidige woondichtheid in het centrum, 12.700 mensen per km2, wordt slechts overtroffen door die in de 19de eeuwse wijken. De extreem hoge woondichtheid en gebrekkige hygiëne en volksgezondheid maakten de mens oudtijds gemakkelijker slachtoffer van door dieren overgebrachte epidemieën. Deze troffen vooral de volksbuurten met de hoogste woondichtheid en armoede, zoals de Noord- en Zuid-Jordaan, de Jodenbuurt en de havenkwartieren op de eilanden. Pestepidemieën troffen de stad tussen 1599 en 1665. In de 18de en 19de eeuw werd de stad zesmaal getroffen door malaria (1727-1857), overgedragen door de brakwatermuskiet Anophales maculipennis atroparvusTussen 1832 en 1867 brak er viermaal cholera uit in Amsterdam. Tuberculose heerste nog tot in het midden van de 20ste eeuw.
Binnen de bebouwde omgeving kunnen weer diverse subbiotopen onderscheiden worden: delen van de binnenstad met zeer weinig groen vertonen analogie met een droge steensteppe, met dichtopeenstaande hoogbouw als kliffen. Hier vinden we diverse soorten die we ook in droge laaggebergten en klifkusten van Zuid-Europa tegenkomen (Rotsduif/Stadsduif, Gierzwaluw, Zwarte Roodstaart, Torenvalk). Waar de bebouwing wat meer groenelementen heeft, vinden we aan de straatkant en op daken groepen Huismussen, alsook mezen, Boomkruiper, Holenduif en Ekster. Grinddaken en walkanten vormen kleinschalige subbiotopen.
In de woningen vormen kelders, kamers en zolders aparte micro-biotopen. Door de beschutting en verwarming, alsmede de nestelgelegenheid en het menselijk voedsel, die zij verschaffen, vormen zij de woonplaats van allerlei dieren (huisstofmijten in het ‘huisstofecosysteem’, bladluizen op de kamerplanten, diverse gevleugelde en ongevleugelde insekten, spinnen, en cultuurvolgende zoogdieren als Huismuis, Bruine Rat en vroeger de Zwarte Rat). De diversiteit aan binnenhuisbiotopen hangt mede af van verschillen in micro-klimaat, waarbij vochtminnende, warmte- en droogteminnende soorten ieder hun eigen voorkeursplekken hebben. Bepaalde voedselrijke bedrijven (bakkerijen, restaurants, opslagloodsen, de dierentuin Artis) trekken uiteraard voedselparasieten aan, waartegen bij overlast de hulp van de Dienst Ongediertebestrijding wordt ingeroepen.

III. Het binnenstedelijk groen
Het minst omvangrijke biotoop wordt gevormd door het particuliere groen van de binnentuinen, de Hortus en Artis (samen ruim 20 ha.). De openbare groenvoorzieningen (acht plantsoenen en één parkje) beslaan nog eens 20 hectaren. De oudste binnentuinen waren moestuinen van kloosters en woningen binnen de veste, maar deze waren door woonverdichting merendeels al vóór de 17de eeuw verloren gegaan. Restanten van die binnenstadstuinen zijn het Begijnhof en de tuinen van de Oudemanhuispoort en het Oostindisch Huis. Vanwege gebrek aan openbaar groen en recreatiegebied werd in de tweede helft van de 17de eeuw de Plantage aangelegd, met daarin de Hortus botanicus (1682).
In de 19de eeuw volgden het Wertheimpark (1812) en, buiten de singelgracht, het Vondelpark (1862). Op de vroegere bolwerken van de buitenste vestingwallen werden plantsoenen aangelegd (het Eerste en Tweede Marnixplantsoen, het Eerste en Tweede Weteringplantsoen, en groenstroken langs de Sarphatistraat).
Deze versnipperde groengebieden van particuliere tuinen en openbaar groen, totaal dus ruim 40 ha., zijn slechts voor tweederde publiek toegankelijk.
De niet-openbare groengebieden, belangrijk vanwege hun rust en afgeslotenheid, bestaan uit zo’n 40 binnentuinblokken, waaronder 27 zogenaamde ‘keurblokken’ (zo genoemd naar strenge beheersbepalingen daterend uit 1615). Zeventien van deze keurblokken liggen aan de Herengracht (van Brouwersgracht tot Amstel), en zes aan de even zijde van de Keizersgracht (tussen Leidsegracht en Amstel). De grachtentuinblokken beslaan een kleine 10 hectaren. Met name die tussen Heren- en Keizersgracht zijn fraaie, soms parkachtige binnentuinen. De binnentuinblokken beslaan 7,5 ha. in de eigenlijke grachtengordel ten westen van de Amstel, terwijl daarnaast nog zeven tuinblokken ten oosten van de Amstel (waaronder vier keurblokken) slechts ongeveer 1 ha. groot zijn. Daarnaast kunnen de Hortus en Artis als grote grachtentuinen gezien worden, gelegen aan de Nieuwe Heren- en de Nieuwe Prinsengracht.

Zowel het openbaar als het particulier groen vormen meer of minder door mensen verstoorde biotopen. Door het regelmatige onderhoud (maaien, schoffelen, grondwerkzaamheden) en de recreatiedruk zijn ze veelal te onrustig, te weinig beschut en wellicht niet voedselrijk genoeg voor diverse diergroepen (insekten, spinnen, slakken, vogels, zoogdieren). Hun betekenis als habitat voor dieren ontlenen ze in belangrijke mate aan de grotere bomen, die voedsel, broed- en rustgelegenheid bieden. Het voorkomen en de verspreiding van deze, vaak waardevolle, bomen is dan ook in dit opzicht een eerste indicator voor de waarde van de binnentuinblokken. Om een overzicht in het voorkomen van zogeheten waardevolle bomen in het centrum. te krijgen is de binnenstad in zeven sectoren opgedeeld. We onderscheiden 1) de binnenstadskern (B) en een zestal segmenten van de grachtengordel tot aan de omringende singelgrachten: 2) de noordwestelijke sector boven de Raadhuisstraat, 3) de westelijke tussen Raadhuisstraat en Leidsegracht, 4) de zuidwestelijke tussen Leidsegracht en Vijzelstraat, 5) de zuidelijke sector van Vijzelstraat tot aan de Amstel, 6) de oostelijke en 7) noordoostelijke sector ten oosten van de Amstel. Om het aantal waardevolle bomen in de grachtentuinen vast te stellen is apart het aantal bomen in de eigenlijke grachtengordel en de binnentuinen geteld.

Wanneer we het voorkomen van waardevolle bomen als indicator nemen voor de waarde van het ecosysteem van binnentuinblokken, dan lijken de tuinblokken in de zuidwestelijke en zuidelijke sector het meest waardevol te zijn. Ook uit stedelijk en nationaal oogpunt scoren de bomen in deze sectoren hoog. In derde positie van de qua geboomte waardevolle binnentuinen komt de noordwestelijke grachtengordel, ten noorden van de Raadhuisstraat. In de fraaiste keurblokken domineren oude bruine beuken en huizenhoge witte paardekastanjes. In verschillende binnentuinen geven groepen bomen een bosachtig karakter aan het binnenblok. Dankzij de Hortus biedt de oostelijke sector van de grachtengordel de hoogste diversiteit aan boomsoorten, en komt de zuidelijke grachtengordel op een tweede plaats. De binnentuinen, eenvijfde van het binnenstedelijk groen, bevatten ruim 30 procent van de waardevolle bomen in het centrum. Het betreft overwegend loofbomen. Naaldhoutsoorten vormen slechts 11 procent van de bomen in de grachtentuinen.

De oudste van deze bomen dateren van midden 19de eeuw. Veertig procent van de waardevolle bomen in het centrum dateert uit de 19de eeuw. Zij vormen naar schatting de derde en vierde generatie bomen in de grachtentuinen, gerekend vanaf hun aanleg in het midden van de zeventiende eeuw. Vermoedelijk stonden er in de 18de eeuwse tuinen echter weinig en minder hoge bomen, omdat ze aanvankelijk nog merendeels als moestuin dienst deden. Hun recreatieve functies als ontspanningsplek en privé stadsnatuur krijgen de binnentuinen pas vanaf de tweede helft van de 18de eeuw, met de verplaatsing van de moestuinen naar buiten de singelgracht.

Op het begane grondniveau van de tuinpercelen kunnen we nog een ander onderscheid maken tussen typen tuinen, dat voor het tuinecosysteem en het voorkomen van dierenleven daarin misschien nog relevanter is. Uit de 17de en 18de eeuw dateert de geometrische tuin, gekenmerkt door met buxushaagjes omringde perken, en daaromheen rechte grindpaden. Waar zulke hagen een zekere hoogte en breedte hebben, kunnen zij broedgelegenheid bieden voor struikbroedvogels (Merel, Heggenmus, Roodborst, Winterkoning). De symmetrische opzet van de binnentuinen maakte in de 19de eeuw plaats voor een meer landschappelijke inrichting van de tuin. Daarbij werden ook de bomen meer asymmetrisch geplant, en werden grasgazons en slingerpaden aangelegd. Om arbeidsintensief onderhoud te vermijden werden later de gazons, met name die in kantoortuinen, omgezet in tegelvlakken of met bakstenen bestraat. Bij verwaarlozing ontstaan verwilderde romantische tuinen, of geheel verloederde tuinen die deels als opslagplaats of parkeerterrein dienen. Deze verschillende typen tuinen (die soms naast elkaar in één binnenblok voorkomen) met hun zeer verschillende vegetatiestructuur bieden verschillende stadia van ‘vegetatiesuccessie’ (gras, laag struikgewas, hogere en dichtere struiken, jong en middelhoog geboomte, dicht struikgewas en hoog geboomte). Deze successie is maar ten dele natuurlijk, want in belangrijke mate het gevolg van menselijk onderhoud en aanplant. Voor diverse diersoorten benaderen deze stadia niettemin hun voorkeursbiotoop in boslandschappen met een meer inheemse begroeiing buiten de stad. In het bijzonder de vogelstand weerspiegelt de vegetatie-ontwikkeling die de tuinen in de loop der tijd doormaken: terwijl in het midden van de 19de eeuw nog typische zangvogels met een voorkeur voor struikvegetatie tot de broedvogels behoorden, zoals Spotvogel en Braamsluiper zijn later echte bosvogels met een voorkeur voor hoger geboomte tot de binnentuinen doorgedrongen (duiven, kraaiachtigen, Sperwer). Al deze bosvogelsoorten hebben daarbij in de loop der tijd hun mensenschuwheid afgelegd.
In een aantal binnentuinen zijn fonteinen en vijvertjes aangelegd, soms zelfs stromende waterpartijen. Dit kan de vorm aannemen van een particulier zwembad tot een heuse tuinbrede waterval of tuinbeek (Keizersgracht, Artis). Natuurlijke waterpartijtjes zijn soms verfraaid met waterlelies, lisdodden en riet.
Door menselijk handelen zijn dus heel wat subbiotopen aanwezig die voor verscheidene diersoorten aantrekkingskracht hebben. Door de ommuring met hoge grachtenpanden kunnen grondzoogdieren niet doordringen in de binnentuinen (uitgezonderd honden en katten), maar wel in niet-ommuurde tuinen en parken zoals de Hortus en Artis. Vliegende dieren vormen dus overwegend de fauna van de binnentuinen; daaronder diverse groepen insekten, vleermuizen en vogels. Landslakken komen binnen via de aanvoer van grond en planten. Bij de amfibieën, die in binnentuinen rond en in vijvertjes voorkomen, zal het merendeels om uitgezette dieren gaan.

Hieronder willen we nagaan welke groepen en soorten van dieren ondanks de verschillende water- en steenbarrières tot in de binnenstad door weten te dringen. De verschillende soms fragmentarische gegevens daarover, ontleend aan heel verspreide en verschillende bronnen, geven een beeld van een rijk dierenleven in het centrum van Amsterdam.

Dieren in en rond het stadswater
Zoals we gezien hebben is de groene ruimte in het centrum bepaald niet het dominante biotoop, want dit beslaat nog geen 5 procent van het oppervlak van de binnenstad van Amsterdam (802 ha.). Een voor Amsterdam veel typischer en karakteristieker halfnatuurlijk habitat is het overvloedige stadswater van de grachten, de Amstel en het IJ. Direct en indirect vormt de waterrijkdom van Amsterdam een kernelement van ons stedelijk ecosysteem. Waar vroeger brak water werd ingelaten, en door gebrekkige riolering de vervuiling en stank overheersten, is de laatste decennia door aansluiting van de binnenstad op riolering de waterkwaliteit verbeterd, en daarmee ook de leefomstandigheden voor bepaalde aan water gebonden dieren. Andere soorten hebben evenwel het veld moeten ruimen.

In het stadswater begint een voedselweb van plantaardig en dierlijk plankton en zogenaamde macrofauna, waarvan vervolgens verschillende hogere diergroepen afhankelijk zijn, zowel in als buiten het water, zoals watermollusken, kreeften en vissen, en uiteindelijk verschillende aan water gebonden vogelsoorten.

Macrofauna is de verzamelterm waarmee waterdiertjes worden aangeduid groter dan een halve millimeter. Deze minuscule ongewervelde diergroepen, waaronder kleine schaaldieren of Crustaceeën, zoals watervlooien (Cladoceren), Roeipootkreeften (Copepoden)en Mosselkreeften (Ostracoden)leven zelf van nog kleiner plantaardig en dierlijk plankton. Daarnaast vormt het water de verblijfplaats van heel wat insektenlarven.
Van de Crustaceeën komen negen soorten watervlooien in het stadswater voor, in het bijzonder Langgedoornde watervlo Daphnia longispinaen het Snuitkreeftje Bosmina longirostris. Enkele soorten van open zee bewonen het grotere water, zoals de Amstel en het IJ. Ook hier zijn verscheidene soorten verdwenen door de verzoeting als gevolg van de afsluiting van het IJ en de Zuiderzee.

Ten behoeve van de gemeentelijke Dienst Waterbeheer en Riolering (DWR) wordt het grachtenwater bemonsterd op waterkwaliteit en het erin voorkomende dierlijk leven. Op vier plekken in de grachtengordel heeft bureau AquaSense daarvan watermonsters genomen (1995-1999). De bemonsterde plekken - de Oudezijdsvoorburgwal, de Keizersgracht bij de Leidsegracht, de Singelgracht hoek Brouwersgracht - zijn zo gekozen dat van binnen naar buiten de diversiteit aan soorten in het grachtenstelsel kan worden opgemaakt. Hierbij zijn onder meer larven van 22 soorten dansmuggen (Diptera Chironomidae)vastgesteld. Deze dansmuggen zien we in de nazomer in kleine wolkjes boven de grachten zwermen, bij warm weer zelfs massaal. Eén van de opmerkelijke soorten daaronder is Xenochironomus xenolabis, waarvan de larve leeft in zoetwatersponzen die zich vaak op houten substraat vasthechten. Hierin leeft ook de larve van de Gaasvlieg Sisyra fuscata. Dit is naast de dansmuggen het enige andere insekt dat op deze plekken is aangetroffen. Er werden geen larven gevonden van waterwantsen, waterkevers, haften (= eendagsvliegen), kokerjuffers of libellen. Kennelijk hebben zulke insekten andersoortige oevers met meer oevervegetatie nodig. Hierin wordt voorzien door de zogenaamde ‘floatlands’, een experiment met natuurlijke waterzuivering door middel van vegetatie op en aan houten constructies in de Lijnbaansgracht. Daar is de diversiteit van aan water gebonden slakken, wormen en insekten aanzienlijk groter.

In de grachten leven verschillende soorten mollusken of weekdieren, waaronder schelpdieren en waterslakken. In het Amsterdams centrum zijn door het onderzoek van Rykel de Bruyne & Tello Neckheim 33 soorten zoetwatermollusken en nog één brakwatermollusk vastgesteld (61% van de 56 molluskensoorten die totaal in Amsterdam zijn gevonden). In de tweede helft van de 19de eeuw verdween de Paalworm Teredo navalis, waarschijnlijk tengevolge van de aanleg van de Oranjesluizen. Deze laatste soort bracht in de 18de en 19de eeuw veel schade toe aan sluisdeuren en houten beschoeiingen.
De afsluiting van de Zuiderzee door de Afsluitdijk (28 mei 1932) heeft ervoor gezorgd dat zout- en brakwaterminnende soorten definitief het veld hebben moeten ruimen. Vóór 1932 werden zo nu en dan nog levende exemplaren van de Brakwaterkokkel Cerastoderma glaucumen de Strandgaper Mya arenaria in de Muidergracht en het Lozingskanaal aangetroffen; dit als gevolg van het spuien met brak Zuiderzeewater. Na 1932 verdwenen uit het IJ het Nonnetje Macoma balthicaen de Mossel Mytilus edulis. De meest algemeen voorkomende zoetwatermollusken zijn de Grote Diepslak Bithynia tentaculataen de Driehoeksmossel Dreissena polymorpha. Zij zijn in alle 12 kilometerhokken van het centrum vastgesteld.
De eerste is in tegenstelling tot zijn naam slechts een slakje van een centimeter groot. De tweede is de favoriete prooi van duikeenden. Overal waar de Driehoeksmossels voedsel uit het vuile water kunnen halen zijn zij te vinden. Omdat bij een bepaalde graad van vervuiling de schelp sluit, wordt de soort ook wel gezien als vervuilingsindicator.
In het centrum lijken de Bolle Stroommossel, de Vijvermossel en de Zwanenmossel zeldzaam te zijn; ze zitten echter verborgen in de vele troep op de bodem van de grachten. Uit het polderland zijn tot in het centrum doorgedrongen de Gewone Poelslak en het Riempje, beide gewone soorten in stilstaande sloten. Vanuit het brakke Noordzeekanaal dringen schaars nog Brakwatermossels tot in het IJ door (vroeger tot in de stad). Het grootste deel van de zoetwaterslakken zal zijn aangevoerd vanuit Amstelland of meegekomen zijn met spuiwater uit het IJsselmeer. Van Benthem Jutting karakteriseert deze zoetwatermolluskenfauna als “typisch voor stilstaande of zeer zwak stroomende wateren van het Nederlandsche alluvium. Echter, bij het regelmatig doorspoelen stroomt het water in de grotere grachten langzaam, waardoor enkele soorten van stromende wateren zich plaatselijk in de binnenstad goed kunnen handhaven (zoals Kleine Erwtenmossel Pisidium henslowanum, Stompe Moerasslak Viviparus viviparusen Zoetwaterneriet Theodoxus fluviatilis).

In het stadswater komen dertien soorten zoetwatervissen voor, waarvan zes soorten vrijwel in alle kilometerhokken van het centrum zijn aangetroffen: Aal, Brasem, Blei, Blankvoorn, Spiering en Baars. Minder algemeen zijn Snoek en Snoekbaars, Driedoornige Stekelbaars, Rietvoorn, Karper, Kroeskarper en Alver. Van de 27 inheemse soorten zoetwatervissen vastgesteld in Groot-Amsterdam is dus bijna de helft in het centrum aangetroffen.Van de zoutwatervissen wordt wel eens Bot gevangen, een soort die zoet water kan verdragen, en ook wel harders, die binnentrekken vanuit het IJ. Van de Crustacea komen in het centrum twee exoten voor, namelijk de Chinese Wolhandkrab en de Amerikaanse Rivierkreeft, en het inheemse Zuiderzeekrabbetje.

Uit historische gegevens is op te maken, dat bij een betere waterkwaliteit en voldoende zuurstofgehalte het grachtensysteem een potentieel enorm rijke visstand heeft. Ooit was het grachtenwater zuiver genoeg om als grondstof te dienen voor de stedelijke bierbrouwers. Door de Amstel werd een rijke fauna aan ‘riviervisschen’ aangevoerd (Zalm, Steur?). Visvangst in de grachten was het monopolie van de schutterij, voor gewone burgers was het hengelen in de stadsgrachten verboden (keur van 26 oktober 1655). In het voorjaar zaten de grachten vol met glasaaltjes (heel jonge paling), stekelbaarzen en allerlei witvis; de grachten functioneerden nog als paaiplaatsen. De huidige visstand is waarschijnlijk voornamelijk aangevoerd met het regelmatig spuien.

Als gevolg van de aansluiting van de binnenstadswoningen op riolering verbeterde de kwaliteit en het zuurstofgehalte van het stadswater, en daarmee ook de voedsel- en jaagmogelijkheden voor visetende vogels. De eerste die daarvan profiteerde was de Fuut. Vanaf de tweede helft van de jaren negentienzeventig dateert de opmars van de Fuut in het Amsterdamse centrum. De eerste broedgevallen deden zich voor aan de Nassaukade (juli 1976) en tegenover het Rijksmuseum (juli 1979). Begin jaren tachtig waren er broedgevallen in de Plantage Muidergracht en in het Hortusplantsoen, in 1982 echter al op zes plaatsen in de grachtengordel. Inmiddels is deze eens zo schuwe en scherp bejaagde vogelsoort een normale broedvogel in de grachten; zij kennen een hoge plaatstrouw en brengen meerdere legsels per seizoen groot.
Na de Fuut volgde de intocht van de Meerkoet in de stadsgrachten. Tot ver in de 20ste eeuw was deze soort enkel wintergast in de stad. In 1989 was er een eerste broedgeval van Meerkoeten op Kattenburg. De verovering van de binnenstad door deze territoriaal agressieve soort is daarna zo snel gegaan, dat vrijwel niemand er aandacht aan besteedde. Ondanks zijn vechtlustige gedrag valt de soort in de smaak bij woonbootbewoners, die Meerkoeten speciale broedvoorzieningen aanbieden, in de vorm van oude autobanden, houten platformpjes en dergelijke.
In speciale broedkorven, op en nabij woonboten, of soms op dakplatjes en in binnentuinen broeden Wilde Eenden. Soms moet de Dierenambulance eraan te pas komen om moedereend met kroost veilig in de gracht te krijgen.
In de jaren negentig verscheen tenslotte de Knobbelzwaan in de grachten, en enkele zwanen zijn nu regelmatig te vinden op de Prinsengracht en de Nieuwe Prinsengracht rond de Amstel, en onregelmatig onder meer in de Singel, in de Noord-Jordaan of in de Geldersekade. Bij gebrek aan nestplaatsen zijn er slechts weinig broedgevallen uit de binnenstad bekend: een zwanenpaar broedde in de Amstel tegenover de Stopera in 1994; sedert het eind van de vorige eeuw wordt regelmatig gebroed op de oostelijke eilanden (in de Oostenburgergracht / Wittenburgervaart).

Tegenover deze nieuwkomers staat een aantal uitgestorven grachtenbewoners: allereerst de Ooievaar die met zekerheid tot eind 16de eeuw in de binnenstad op de burgwallen en kloosterkerken broedde (vgl. een keur van april 1571). Het was toen een broedvogel van de stadsrand, die zijn foerageergebied vlakbij de binnenstad had. Door de uitleg van de grachtengordel schoof echter de stadsrand op en werd de Ooievaar verdreven naar Oostenburg, waar de soort nog in de 17de eeuw broedde op de V.O.C.-scheepstimmerwerf. Pas in de jaren 1990 keerde de Ooievaar als centrumbroedvogel terug. Een Ooievaar, afkomstig uit het herintroductieproject van Vogelbescherming in Groot-Ammers, vormde in Artis een paar met een vrouwtje Ooievaar uit de dierentuin. In drie achtereenvolgende jaren bracht dit stel daar succesvol jongen groot (1998-2001: totaal 11).
De plaats van de Ooievaar is nu overgenomen door de Blauwe Reiger. Een kolonie van deze reigers vestigde zich in 1928 in Artis, maar wordt daar kunstmatig klein gehouden, vanwege overlast voor het publiek. Dagelijks vliegen vogels uit de kolonies in Artis en Frankendael naar de westelijke grachtengordel, om daar vanaf woonboten aan de Prinsen- en Brouwersgracht te foerageren.
Een tweede verlies voor de binnenstad is de Roek. Deze in kolonieverband broedende kraai nestelde nog in de jaren tachtig van de 19de eeuw op de Heren-, Keizers- en Leliegracht, op de Marinewerf aan het Oosterdok, in Artis en nog medio jaren 1930 op het Rembrandtplein. Door sterke bestrijding gereduceerd broedden Roeken voor het laatst in 1962 op de Oosterdokskade. Daarmee viel het doek voor de Roek in de binnenstad.

Slechts één zoogdier bevolkt het grachten- en rioolstelsel van de binnenstad, namelijk de Bruine Rat Rattus norvegicus, vroeger ook wel naar zijn biotoop aangeduid als ‘rioolrat’. Vanwege de steile oevers, de scheiding van het rioolstelsel en het grachtenwater en de verbetering van kademuren is de soort in de grachten evenals in de riolen zelf niet meer talrijk. Waar glooiende oevers zijn heeft de soort meer kans, zoals langs de singelgrachten, aan het havenfront en langs het IJ en de Amstel. Toch komt de soort ook op diverse plaatsen in de binnenstad voor, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een recente vondst in een zijsteeg van de Kalverstraat. Waar de soort in kelders, roosters en onder kruipruimten kan komen, kan hij doordringen tot in de binnentuinen (onder meer aan de Prinsengracht, Bloemgracht).

Vroeger, tot in de eerste helft van de 19de eeuw, zou er wel eens een Bruinvis Phocoena phocoenavanuit het IJ de grachten zijn binnengezwommen.Toentertijd kwamen Bruinvissen tot in de havendokken voor. Nog in november 1930 is een Bruinvis op het IJ gevangen. Deze moet dan bij de achtervolging van visscholen door één der sluizen zijn geraakt. Tot de afsluiting van de Zuiderzee (mei 1932) kwam de Bruinvis nog tot bij Marken voor. Mogelijk betreft het geval van 1930 een vangst op het Buiten-IJ. De soort kan echter soms binnenwateren opzwemmen (zoals nog in november 1932 een exemplaar de Vecht opzwom tot bij Weesp.
Dat zeezoogdieren eertijds tot de fauna van Amsterdam behoorden blijkt ook uit twee strandingen en twee vangsten van Tuimelaar Tursiops truncatusin de zuidelijke Zuiderzee (1878-1913). Vóór de aanleg van de Oranjesluizen strandde na een zware storm op 20 december 1862 zelfs een jong vrouwtje Dwergvinvis Balaenoptera acutorostrata in het noordwestelijk IJ bij Zaandam (in de zgn. Voorzaan, de monding van de Zaan); het dier was dus langs het Damrak gezwommen. Dit was toen een nieuwe walvissoort voor Nederland.

Dierenleven in en rond huizen en gebouwen
De bebouwde omgeving omvat in de binnenstad bijna 45.000 woningen, 12 procent van het Amsterdamse woningbestand. Het betreft voornamelijk oudbouw daterend uit de 16de tot de 19de eeuw, gebouwd voor verschillende klassen en standen (ambachtslieden en havenarbeiders in de Jordaan, de Nieuwmarktbuurt en op de eilanden, de notabelen en kooplieden in de grachtengordel en later in de Plantage. Nog is deze klassebepaalde verdeling van woonruimte terug te zien in de bevolkingssamenstelling van de verschillende delen van het centrum. De woningen voor de onderscheiden bevolkingsgroepen verschillen nog immer sterk in kwaliteit, hoezeer door woonverdunning en sanitaire voorzieningen de binnenhuiselijke hygiëne sterk verbeterd is. De binnenmilieus van binnenstadswoningen zullen echter niet zo lang geleden, vóór de renovatie van deze oudbouw (vanaf de jaren negentienzeventig), nog grotere verschillen hebben te zien gegeven dan heden ten dage. Tegenwoordig worden oude woonblokken in de Jordaan en op de eilanden integraal vervangen door nieuwbouw, waarbij bijv. veel nestgelegenheid voor broedvogels van oude daken verloren gaat (Gierzwaluw, Huismus). Het natuurlijke proces van woningveroudering en stadsvernieuwing, en de verbetering van de woonkwaliteit vormt dus voor het dierenleven in en rond woningen een belangrijke dynamiek.

In en aan woningen is er een divers dierenleven, bestaande uit verschillende soorten huisinsekten, vogels (3 soorten) en zoogdieren (2 soorten).
Een rijke microfauna treffen we in woningen aan in het zgn. ‘huisstofecosysteem’, de laag van fijnkorrelige materie op vloeren en meubilair, in woningtextiel en bedden. Aan de basis ervan staan zowel natuurlijke als kunststofvezels, direct afkomstig van de mens en huisdieren (haren, huidschilfers), uit de natuur geproduceerd textiel (katoen, wol), alsook roest en as. In kantoren domineren boomvezels van loof- en naaldhout afkomstig uit papier, en allerlei andere natuurstoffen gebruikt bij kantoorwerk. In bedrijfsgebouwen is het stof en het binnenmilieu afhankelijk van de aard van de bedrijfsactiviteit. De mijten in het huisstofecosysteem (huisstof-, kever- en roofmijten) leven van droogte-resistente schimmels, die floreren bij de juiste vochtigheidsgraad en temperatuur. Zo zijn er in Amsterdamse woningen met hun vochtigere ondergrond veel hogere aantallen mijten aangetroffen, dan in steden op zandgrond in het binnenland (Nijmegen, en een stad in Westfalen). De ontlasting van de huisstofmijten Pyroglyphidaeverbindt zich tot allergene stoffen, die zich vrij door de lucht bewegen en door de mens worden ingeademd. Het is met name de dominante Huisstofmijt Dermatophagoides pteronyssinusdie bij cara-patiënten allergische klachten veroorzaakt. Op beschimmelde wanden vinden we naast de huisstofmijten ook voorraadsmijten en stofluizen. De schimmels verspreiden zich door woningen en kantoren aan de poten van de mijten.
Op kamerplanten huizen plantmijten, schild- en bladluizen, veelal onzichtbaar voor het oog.
De carnivore huismijten (roofmijten, pseudoschorpioenen en stofluizen) vormen mede het voedsel voor andere dieren in woningen. Daaronder wantsen, pissebedden, zilvervisjes, spinnen, duizendpoten, kakkerlakken, mieren, motten, kevers, muggen, vliegen en krekels. Sommige daarvan zijn voor de mens nuttige huisdieren (zoals spinnen), andere overlastgevend ‘ongedierte’. Over de schadelijke huisinsekten verscheen in 1824 bij de Amsterdamse uitgever S. de Grebber een aardig overzicht. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen insekten die bestendig bij de mens verblijven (zoals luizen en vlooien) en insekten die dat niet doen (zoals vliegen, muggen, wespen en wandluizen). Naast de insekten die planten aantasten zijn er de insekten schadelijk voor textiel, boeken en huisraad, zoals motten, Houtkevers en Boekwormen en hun larven.
Onder de op mensen levende parasitaire insekten zijn drie soorten luizen (hoofd-, lijf-, en plat- of schaamdeelluis) en de prikkende of mensenvlo Pulex irritans. Daarnaast zijn er twee soorten vlooien die op huisdieren leven, en vier soorten die op vogels leven (duiven- en vinkenvlo, en twee soorten hoendervlooien).
De niet permanent maar wel vaak bij mensen verblijvende soorten zijn voornamelijk zomergasten in de woning, terwijl ze als larven kunnen overwinteren: Huisvlieg Musca domestica, Groene vleesvlieg Lucilia caesar, steekmuggen Culicidaeen zogenaamde limonadewespen Vespulidae.
Bij stilstaand water rond de woning (in dakgoten en vijvers van tuinen of plantsoenen) kunnen muggen ’s nachts in slaapkamers overlast geven. De vrouwtjes muggen zuigen bloed ter voortplanting. In het centrum komen 3 soorten steekmuggen voor:

  • Culex pipiens: de larven worden afgezet in allerlei poeltjes, plasjes, en riolen. De soort kan zich ook binnenshuis voortplanten;
  • Cocquilettidia richardia(tegenwoordig meestal Mansonia richardigenoemd);
  • Culiseta annulata. Dit is de bekende grote steekmug met wit-geringde poten, ook wel de Wintermug genoemd.
Alle drie de soorten zijn in een huis in de Valckeniersstraat aangetroffen.

Schadelijk voor het huisraad, boeken en dergelijke zijn diverse soorten kevers, daartegenover zijn de in huis verblijvende spinnen nuttig omdat zij huisinsekten doden. “Men kan de spinnen derhalve daar laten verwijlen waar zij geene storenis veroorzaken”, aldus De Grebber.

Sterk afhankelijk van insekten rond de woning zijn drie soorten vogels, die ook in huizen en gebouwen broeden: de Huismus, de Gierzwaluw en de Zwarte Roodstaart.
De Huismus is in de voortplantingstijd sterk afhankelijk van insekten, omdat daarmee de jonge musjes gevoed worden. Het schoner worden van straten, naast het verbeterde woningonderhoud heeft de mussenstand in de binnenstad nadelig beïnvloed. Toplocaties in de binnenstad voor Huismus zijn de perrons en overkapping van het Centraal Station, het wallengebied, de dierentuin Artis, en sommige plantsoenen. Al deze plaatsen bieden een combinatie van een rijk voedselaanbod, ook van insekten, broedgelegenheid en zandige plekken voor het nemen van stofbaden. In binnentuinblokken komen zij tegenwoordig weinig of geheel niet meer voor, het zijn meer vogels van de straatkant.
Gierzwaluwen zijn insekteneters, die op diverse plaatsen in de binnenstad in kleinere en soms grote kolonies broeden.Veelal liggen deze aan de gracht (vanwege de panden die nestgelegenheid bieden en de nabijheid van hun voedselbron, de boven de grachten vliegende insekten (o.a. Rouwvliegen, vliegende mieren); soms huizen ze ook in binnenblokken, in verwaarloosde daken van achterhuizen. Grote Gierzwaluwkolonies in de binnenstad zijn te vinden in de Raadhuisstraat tussen Singel en Herengracht, aan de Prinsengracht bij het Molenpad, aan de Plantage Muidergracht/Plantage Kerklaan, aan de Marnixstraat/Westerstraat, alsook in de Noord-Jordaan (Lijnbaansgracht/Bloemgracht en Goudsbloemstraat). Ook aan de 19de eeuwse buitenkant van de singelgrachten liggen nog enige grote Gierzwaluwkolonies. Zwarte Roodstaarten zijn oorspronkelijk gebergtevogels die in de stad nog het meest aan industriële en bouwactiviteit zijn gebonden. De soort komt vooral voor rond het Centraal Station, op de Westerdoksdijk en op haventerreinen rond het IJ. Waar in de stad bouwplaatsen zijn voor huizen-, kantoor- of hotelbouw zijn tijdelijke territoria.

Drie soorten wilde zoogdieren behoren tot de fauna van Amsterdamse woningen en gebouwen; daaronder een algemene, een schaarse en een voormalige. Zeer algemeen is de Huismuis Mus musculus domesticus, die in alle kilometerhokken van het centrum is vastgesteld. Deze bruingrijze muizensoort vindt natuurlijk juist in oudbouw met zijn houten tussenvloeren, holle ruimten en stille rommelige zolders nog veel woongelegenheid; de binnenstad is dan ook zijn kerngebied in Amsterdam. Zijn belangrijkste predatoren zijn huiskatten en ook honden. Op stille zolders, in spouwmuren, dakkapellen en onder dakpannen kunnen Dwergvleermuizen Pipistrellus pipistrellushuizen. Deze lastig te inventariseren nachtelijke soort prefereert de wat groenere stadsdelen met een rijker insektenleven, en zodoende is hun dichtheid in het centrum lager dan in de tuinsteden en buitenwijken. Ze foerageren ’s avonds vooral in parken. Hun voorkomen in binnentuinen is nog niet onderzocht. Zogenaamde ‘kraamkamers’, kolonies van zwangere vrouwtjes zijn tot op heden niet gevonden.

Een vroeger in de binnenstad algemene soort is thans uitgestorven: de Zwarte RatRattus rattus, ook wel naar zijn biotoop scheepsrat, huisrat of dakrat genoemd; Amsterdammers noemden hem ook wel ‘blauwe rat’ naar zijn grijsachtig zwarte kleur. In vroeger eeuwen was dit een alom bekende rattensoort. De soort kan goed klimmen en huisde veelal hoog in huizen, gebouwen en torens. De Zwarte Rat was vroeger verantwoordelijk voor de epidemische verspreiding van de builenpest, die tot in de tweede helft van de zeventiende eeuw onder de Amsterdammers tienduizenden slachtoffers maakte. Deze dicht bij mensen levende rattensoort is namelijk drager van rattenvlooien, die op hun beurt de pestbacil Yersinia pestismet zich meevoerden. Naast de Europese rattenvlo Nosopsyllus fasciatushandelt het met name om de in warmere landen op ratten levende Pestvlo Xenopsyla cheopis. Door het veelvuldig gebruik van stro in dakbedekking en in bedsteeën hadden de Zwarte Ratten in de vroegere woonhuizen veel nestelgelegenheid dicht bij mensen. Mensen werden zo massaal slachtoffer van uitbraken van rattenpest, in de vorm van de snel dodelijke builenpest. De Zwarte Ratten verspreidden de pest door een directe overdracht van rattenvlo (met pestbacil) op mens; intermenselijk was de pest niet besmettelijk. Door de populatiedynamiek van in kolonies levende Zwarte Ratten verspreidde de pest zich onder dicht opeenlevende huishoudens, met name in de overbevolkte armere volksbuurten. De zeventiende eeuwse Amsterdammers waren echter geheel onbekend met deze oorzaak en verspreidingswijze van de pest.
De rattenvlooien en de pestbacil wisten kennelijk binnenshuis onder de ratten zachte winters door te komen, want epidemieën deden zich in opeenvolgende jaren voor.
Waarschijnlijk door de midzomerse uitbraak van de rattenvlooien, bij het gelijktijdig uitzwermen van jonge Zwarte Ratten (juvenielendispersie), verspreidde de ziekte zich door de volksbuurten, en piekte de epidemie meestal in september (met 800-900 doden per week in het najaar van 1656 en 1664). Aan het eind van de winter nam het dodental af en ebde de pest weg.
Vermoedelijk was het toenemende koopvaardijverkeer op Amsterdam de voornaamste bron van de verspreiding van de pestbacil, doordat handelsschepen besmette scheepsratten uit het Midden-Oosten en Oost-Indië meebrachten. Na 1665 heeft de pest zich niet meer in Holland voorgedaan, mogelijk door het strenger worden van de winters en het minder virulent worden van de pestbacil.

In de jaren tachtig van de 20ste eeuw is de Zwarte Rat definitief in Amsterdam uitgestorven. Het laatste exemplaar werd op 27 april 1987 gevonden in een graanoverslagbedrijf aan de Sumatrakade (KNSM-eiland). De balg bevindt zich nu in de collectie van het Zoölogisch Museum Amsterdam.

De fauna van de grachtentuinen en parken
Verborgen achter de hoge gevels van de grachtenpanden bevindt zich in de binnentuinblokken een dierenfauna, waarover slechts fragmentarische informatie voorhanden is, uit heel diverse bronnen. Door de particuliere, perceelsgewijze indeling van de binnenblokken en de huizenhoge omheining van de grachtenpanden hebben ook de afzonderlijke tuinbezitters die zich ervoor interesseren daarvan maar een partieel en gefragmenteerd beeld.
De afgeslotenheid van de tuinpercelen maakt, dat men ook nauwelijks kan zien wat er aan de andere kant van de schutting of elders in het binnenblok voorkomt, laat staan dat er een nauwkeurig beeld is van het gehele dierenleven in de circa 40 binnentuinblokken van de binnenstad. Ook de hier volgende reconstructie stoelt niet op een systematische inventarisatie van alle binnenblokken, maar is onvermijdelijk fragmentarisch. De gemakkelijker toegankelijke openbare en semi-openbare tuinen, parken en plantsoenen (zoals de Hortus botanicus, Artis, en de gemeentelijke plantsoenen) zijn weliswaar beter bekend, maar ook nooit systematisch geïnventariseerd. Maar laten we proberen een overzicht te krijgen van de voornaamste diergroepen en -soorten die in dit tuin- en parkbiotoop voorkomen: insekten, spinnen, regenwormen, duizendpoten en pissebedden, slakken, vogels, amfibieën en zoogdieren. Van sommige van deze groepen zijn we door bepaalde inventarisaties per diergroep of gebied redelijk op de hoogte, van andere veel minder, of ontbreekt nog goeddeels kennis over hun voorkomen in de binnenstad.

Dat geldt nog het meest voor de verschillende groepen van insekten, waarover vanuit de binnenstad nauwelijks schriftelijke mededelingen zijn gedaan, laat staan dat er systematische gegevens over bestaan. Pas recent is ten dele in deze lacune voorzien door ‘Paardenbijters en mensentreiters’,een insekten-atlas van Amsterdam. Dit boek behandelt van de 27 of meer orden van insekten er acht. Daaruit worden voor de binnenstad genoemd 9 soorten libellen, 4 soorten kakkerlakken, 5 soorten krekels, 15 soorten vlinders, 4 soorten mieren. Tevens worden daarin 13 bodemfaunasoorten opgevoerd (niet-insekten), waaronder 6 soorten pissebedden alsmede 4 soorten ‘duizendpoten’ en 3 soorten ‘miljoenpoten’ (dieren met resp. maximaal 177 en 375 paar poten). Totaal worden voor de binnenstad 37 soorten insekten opgevoerd; bij systematisch onderzoek zal de insektenwereld echter nog aanzienlijk rijker blijken te zijn. Recente overzichten ontbreken namelijk nog over kevers, muggen, vliegen, wapenvliegen en zweefvliegen, wespen, bijen en hommels; ook van spinnen en wormen ontbreken inventarisaties. Dergelijke lacunes worden deels opgevuld door voorlopige ongewervelde dierenatlassen zoals uitgegeven door EIS (European Invertebratean Survey-Nederland), die echter informatie bieden op een hoog 5-kilometerblokniveau.

In totaal zijn in Amsterdam tot nog toe 32 soorten libellen vastgesteld, waarvan negen soorten tot in de binnenstad zijn waargenomen (28%). Dankzij siervijvertjes met waterplanten komen zij ook in de binnentuinblokken voor. Een goede plek voor libellen is de Hortus, waar vijf soorten aangetroffen zijn: Houtpantserjuffer, Lantaarntje, Platbuik, Zwarte Heidelibel en de zeldzame Groene Glazenmaker. Incidenteel zijn er langs de singelgracht waarnemingen van Bruinrode Heidelibel en Viervlek. In de siervijvers van de binnentuinen planten Lantaarntje en Blauwe Glazenmaker zich ook voort; terwijl larven van de eerste ook in de drijvende vegetatie van de Lijnbaansgracht zijn gevonden.
Nogal verborgen komen er ook sprinkhanen en krekels in de stad voor. In onbeheerde en slecht onderhouden bermen en langs spoordijken komt de Bruine Sprinkhaan voor (de soort is op zes plaatsen in het centrum vastgesteld). Meer een binnenhuissoort is de Huiskrekel, die op zomeravonden soms ook buiten gehoord kan worden. Stiller is de Boomsprinkhaan, een nachtdier dat overdag hoog in boomkronen leeft en daar vrijwel onzichtbaar is. In Artis is de Struiksprinkhaan vastgesteld. Een Grote Groene Sabelsprinkhaan werd in augustus 1991 gehoord op het Weesperplein.

Een esthetisch genoegen zijn de dagvlinders in plantsoenen en binnentuinen. Naast de standvlinders zijn er diverse soorten trekvlinders of invasiegasten ook tot in het centrum waargenomen. Acht soorten dagvlinders komen in de binnentuinen voor: Groot en Klein Koolwitje, Klein Geaderd Witje, Citroenvlinder, Dagpauwoog, Kleine Vos, Atalanta en Boomblauwtje. De laatste jaren wordt in de binnenstad zo nu en dan een Gehakkelde Aurelia gezien. Er is onder meer een vroege waarneming in Artis, op 31 maart 1997, en één in augustus 2001. Op spoordijken en ruderale terreinen aan de rand van het centrum zijn de karakteristieke soorten: Bruin Zandoogje, Kleine Vuurvlinder, Icarusblauwtje en Zwartsprietdikkopje. De Aardbeivlinder is als toevallige gast aangetroffen op de Westerdoksdijk.
In de zomer van 1995 deed zich in Nederland een invasie voor van de zeldzame Rouwmantel, waarvan er enkele tot in het centrum van Amsterdam zijn gezien. Een jaar later volgde een grote invasie van Distelvlinders, die ook tot in de binnenstad doordrong.
Bijna de helft van de 36 dagvlindersoorten vastgesteld in Amsterdam zijn dus ook in de binnenstad gezien. Over de veel talrijkere nachtvlinders, waarvan diverse soorten op zomeravonden woningen binnenvliegen (zoals nachtmotten en dergelijke) zijn in Amsterdam geen verspreidingsgegevens beschikbaar. Het is een zeer omvangrijke groep van vlinders waarvan de kleinere micro’s met het blote oog moeilijk te determineren zijn. Zo’n 560 soorten Microlepidoptera zouden in de binnenstad zijn vastgesteld.

Nog weinig in kaart gebracht zijn de bij tuinbezitters soms gevreesde maar merendeels goedaardige bijen, wespen en zweefvliegen. De eerstgenoemden zijn voornamelijk agressief nabij het nest, bij verstoring. De laatsten gaan enkel ter afschrikking als wesp of bij gekleed, maar zijn volledig onschuldig; in Amsterdam zijn 91 soorten zweefvliegen Syrphidaevastgesteld, waarvan 75 in het Amsterdamse Bos (in Nederland zijn 54 soorten algemeen). Hoeveel en welke soorten daarvan precies in de binnenstad voorkomen is onbekend. De thans in Nederland uitgestorven fraaie Hommelzweefvlieg Mallota fuciformis is voor de oorlog nog in Artis vastgesteld; in 1944 werd deze voor het laatst gezien in de Hortus. Ook uit de Hortus stamt een vooroorlogse eerste waarneming van de grote Hoornaarzweefvlieg Volucella zonaria. Sinds 1989 wordt deze Zuideuropese soort in Amsterdam vaker aangetroffen.

Waar nectarhoudende en stuifmeeldragende bloeiende planten zijn, kunnen bijen voorkomen, als er ook in de nabijheid ongestoorde nestelgelegenheid is. Bij een recente inventarisatie van openbaar groen in buitenwijken van Amsterdam zijn 15 soorten bijen vastgesteld, maar hoeveel bijensoorten ook in de binnenstad voorkomen is onduidelijk. Daarnaast komen in Amsterdam regulier 12 soorten hommels voor, die alle ook tot in de binnenstad kunnen doordringen. Met name gaat het om algemene soorten als Tuin-, Aard- en Akkerhommel, maar ook Steen-, Boom- en Veldhommel. Totaal zijn in Groot-Amsterdam 116 soorten bijen verzameld, waaronder 22 soorten Hommels; dit is eenderde van de 338 in Nederland voorkomende bijensoorten.
Ook van de orde der angeldragers of wespen Hymenoptera aculeata ontbreken nog Amsterdamse inventarisatiegegevens (ruim 160 soorten uit 35 genera komen in Nederland voor). In onze binnenstadstuinen gaat het vooral om de Gewone Wesp Paravespula vulgaris, de Duitse Wesp Paravespula germanicaen de solitaire Muurwesp Anchistrocerus parietum. Ook graafwespen kunnen in particuliere tuinen en zelfs in rustige zonnige straten tussen stoeptegels voorkomen. De wespenoverlast wisselt per jaar, is sterk seizoensgebonden en concentreert zich voornamelijk in het derde jaarkwartaal.

Bodemfauna van het binnenstedelijk groen
Al naar gelang de bodemsamenstelling, de begroeiing, beschaduwing en de ongestoordheid van de tuinbodembedekking kunnen bodemdieren in de tuinen voorkomen. Tot deze tuinbodemfauna behoren verschillende soorten in de bodem en op de grond levende dieren, zoals mieren, pissebedden, veelpoters, wormen, loopkevers en landslakken. Zo zijn er van de veertien in Amsterdam voorkomende soorten mieren er vijf in de binnenstad vastgesteld. De meest algemene mierensoort is de Bruine Wegmier, die in alle hokken van het centrum voorkomt. Daarnaast komt de Grasmier voor, tussen de riggels van straattegels; het is in tegenstelling tot zijn naam eigenlijk een soort die thuis is op hei- en zandgronden, en die dus waarschijnlijk is ingevoerd met zandaanvoer uit midden-Nederland. In Artis leven in verwarmde dierenbinnenverblijven het Soldaatmiertje en de Artismier. Binnen woningen waren in het verleden Faraomieren soms tot overlast.
Van de 25 soorten pissebedden vastgesteld in Amsterdam zijn er drie in de binnenstad algemeen: Ruwe Pissebed, Gewone Oprolpissebed en Kelderpissebed. De drogere binnenstad mijdend zijn de Mossepissebed en het Paars Drieoogje. De Mierenpissebed komt diep in de grond in mierenholen voor, en wordt dus nauwelijks opgemerkt.
Met plantenmateriaal of grond voor tuinophoging worden diverse soorten veelpoters aangevoerd. In de binnentuinen komen hiervan zo’n vier soorten voor, drie miljoenpotigen: Blinde Kronkel, Roodstip en Bruinstip. Onder tegels zit de Gewone Steenloper, een duizendpoot. Nog drie soorten aardkruipers vinden we meer aan de rand van het centrum.
Daarnaast komen er mogelijk zeven soorten regenwormen voor in de parken, plantsoenen en binnentuinen van het centrum. De meest gangbare regenworm in de tuinen is de Aardworm Lumbricus terrestris. De soort kan 10-15 centimeter lang worden. In nattere perioden van het jaar (voor- en najaar) is hij gemakkelijker te vinden dan in drogere perioden.
Sommige van bovengenoemde soorten, zoals de Groene Regenworm hebben een voorkeur voor heel natte grond en kunnen dus in laag gelegen delen van de binnenstad voorkomen. Een feitelijke inventarisatie van het voorkomen van wormen ontbreekt evenwel.

Over de in de binnenstad voorkomende loopkevers Coleoptera Carabidaebeschikken we nog niet over gekarteerde inventarisatiegegevens. In heel Amsterdam komen totaal uit deze groep tenminste 147 soorten voor van 43 genera. Dat is bijna 40 procent van het landelijk vastgestelde aantal: in Nederland komen er totaal 378 soorten loopkevers voor uit 64 genera. Van vóór de Tweede Wereldoorlog worden voor Amsterdam bijna 200 soorten kevers vermeld. Wanneer we uitgaan van een afnemende soortdiversiteit van periferie naar centrum, zoals bij keveronderzoek in Wenen is gebleken, komen er in binnenstadstuinen waarschijnlijk nog maar een beperkt aantal soorten voor: zoals een aantal soorten van het geslacht Pterostichus en nog verschillende soorten uit de geslachten Notiophilus, Calathus en Carabus Vóór 1930 kwam de Moerasloopkever Carabus clatratusnog algemeen in Amsterdam voor, zoals ook bleek uit de opgraving van een dekschild van deze soort uit de Nieuwe Kerk.

Uit andere keverfamilies zijn er nog heel wat soorten die minder aan de bodem gebonden zijn. Zo zijn er tientallen soorten lieveheersbeestjes, waaronder enkele algemene zoals het Tweestippelige Lieveheesbeestje Adalia bipunctata, en Grote en Kleine Iepenspintkever Scolytus scolytusen Scolytus multistriatus. Het voorkomen van de laatsten is van alle kevers in Amsterdam nog het best gemonitored vanwege de door hen overgebrachte Iepziekte, die ook in de binnenstad nogal huisgehouden heeft. Deze bomenziekte wordt overgedragen door de schimmel Ophiostoma ulmi, die de larven van de iepenspintkevers bij zich dragen. De Iepziekte trad in Amsterdam voor het eerst op in 1922 en bracht vooral veel schade teweeg in de jaren dertig.Na oplevingen van de Iepziekte in 1948 en 1953 nam het percentage bomen dat ziek werd gestaag af. Begin jaren zeventig dook er echter een agressiever soort Iepenschimmel op, waardoor in de tweede helft van de jaren zeventig een tweede epidemie ontstond.

Door een landelijke bestrijdingsmaatregel (1977) en een straf beheer van het iepebomenbestand nam het aantal zieke iepen vervolgens weer af. Toen landelijk de nieuwe epidemie teruggedrongen leek, schafte de rijksoverheid de gesubsidieerde Iepziektebestrijding af (1991). Hoewel de strenge controlemaatregelen in Amsterdam gehandhaafd bleven, kon als gevolg van het buiten werking stellen van het landelijke bestrijdingsbesluit de Iepziekte vanuit andere Noord-Hollandse gemeenten weer terugkeren.

Binnen het gebied omsloten door de singelgracht staan ongeveer 7800 iepen (16% van het Amsterdamse bestand). In de binnenstad wordt het voorkomen van de ziekteverwekkende Iepenspintkevers gemonitored door middel van vijf strategisch opgestelde vallen (drie aan het IJ, één aan de Amstel en één aan de noordwestelijke Keizersgracht); in Amsterdam als geheel staan 58 van zulke kevervallen. Tweemaal in het jaar, in juli en oktober worden deze gecontroleerd op het aantal daarop gevangen Iepenspintkevers. Een hoger aantal dan de gemiddelde ‘keverdruk’ betekent een verhoogd risico en een mogelijke besmettingshaard in de buurt. Het controlebeleid in het centrum is vrij succesvol: sedert 1992 sneuvelden er in dit deel van de stad maar 75 iepen, 2 procent van het Amsterdamse totaal. Slechts een beperkt percentage van de kevers dringt door tot in het centrum, en richt daar verhoudingsgewijs weinig schade aan.

Ook geregeld maar toch beduidend minder schadelijk voor planten en bomen zijn de tot de bodemfauna horende landslakken. Hun voorkomen in de binnenstad is afhankelijk van de diverse samenstelling van de bodem, de kalk- en vochtigheidsgraad daarvan. En al zijn het langzame dieren, toch weten ze op allerlei manieren ook tot in de binnenstad door te dringen, bijvoorbeeld aangevoerd met tuinaarde, zand of tuinplanten van elders.

Van de 62 soorten landslakken die in Amsterdam voorkomen zijn er 17 ook in het centrum van Amsterdam vastgesteld (27% van het Amsterdamse totaal). Algemene soorten zijn het Haarslakje, de Grote Glansslak en het Boerenknoopje. Een echte tuinsoort is de Segrijnslak, een relatief grote huisjesslak afkomstig uit het Middellands Zeegebied. Op het Begijnhof komen tussen het gazon en de stenen muurtjes vrij algemeen Geribde Jachthorenslak en Glanzende Agaathoren voor. Daarentegen is de Gewone Tuinslak, een qua bandering zeer variabele soort, nog enkel aan de rand van het centrum gevonden. Maar bij de slakkeninventarisatie van midden jaren negentig zijn de binnentuinen nog zeer omvolledig onderzocht; slechts een enkele besloten grachtentuin is geïnspecteerd.
Twee soorten zijn pas in de jaren negentiennegentig vastgesteld, t.w. de Kleine Kristalslak Vitrea contracta, een duinsoort die werd aangetroffen in een tuin aan de Prinsengracht, en de Griekse Duinslak Cernuella jonica, een uit Zuid-Europa afkomstige soort, die aangetroffen is langs de spoordijk op de westelijke eilanden.

In diverse binnentuinen zijn kleine vijvertjes of waterpartijtjes aangelegd, waarin al of niet door tuineigenaren uitgezet enige amfibieënsoorten kunnen voorkomen: de Gewone Pad, de Kleine Watersalamander en de Bruine Kikker. Rond de Hortus komen deze soorten nog oorspronkelijk voor. Nergens in het centrum komt nog de Groene Kikker voor, die vroeger wel in de Boerenwetering moet hebben geleefd. Op mooie avonden roepen in Artis de Vroedmeesterpadden. Deze zijn in 1992 uitgezet in de tuin van de Artisdirecteur en hebben zich nu al verbreid tot op de Artissavanne. Feitelijk behoren slechts de eerstgenoemde drie soorten amfibieën tot de wilde binnenstadsfauna; het betreft niettemin vijftig procent van de in Amsterdam voorkomende amfibieën.

De afgesloten binnentuinen kunnen uiteraard door weinig zoogdieren bereikt worden, maar vleermuizen vormen daarop een uitzondering. Naast de Dwergvleermuis komt in het centrum ook de Laatvlieger voor; deze wat grotere soort is regelmatig in en om Artis vastgesteld (1913-1991), en er zijn tenminste 10 recente vondsten en waarnemingen in de grachtengordel (1981-2000). Het is een standvleermuis die bij ons op stille plekken overwintert (bijv. in tuinschuurtjes, kerktorens, zolders). Eveneens standvleermuis, maar veel zeldzamer is de Grootoorvleermuis; deze is vóór de oorlog tweemaal op Kattenburg aangetroffen. De populatie Dwergvleermuizen krijgt in de nazomer versterking van de Ruige Dwergvleermuis Pipistrelleus nathusii, waarvan de Oost-Europese populatie bij ons doortrekt (5 gevallen in het centrum, 1 uit april 1947 en 4 uit oktober-december 1990-1999). De populatie Rosse Vleermuizen, die tot in de jaren dertig in Artis en op de Oude Oosterbegraafplaats (thans Oosterpark) voorkwam, is daar echter na de Tweede Wereldoorlog verdwenen. Tenslotte is in september 1990 een Baardvleermuis Myotis mystacinus gevonden op de Oosterdokskade. Alles bij elkaar zijn dus zes soorten vleermuizen in de binnenstad vastgesteld, waarvan twee regelmatig en vier onregelmatig of zeldzaam. Totaal telt de Amsterdamse zoogdierlijst tegenwoordig negen soorten vleermuizen.

Niet gehinderd door de barrières van de grachtengordel dringen tot aan de rand van het centrum incidenteel zoogdieren uit het buitengebied door, zoals tweemaal een Vos (op de Haarlemmerdijk), alsook Wezel (langs ringspoordijk Oostelijke Handelskade) en Haas (acht waarnemingen in Artis, in de jaren 1994-1998).

Vogelleven in binnenstadstuinen, -parken en -plantsoenen
Diverse karaktervogels van de binnenstad kent iedereen: de Stadsduiven, Huismussen en Spreeuwen, Gierzwaluwen, Blauwe Reigers, Kok- en Zilvermeeuwen. Maar wat er aan vogels in de binnentuinen en parkjes voorkomt, is minder goed bekend. Toch valt er uit verschillende bronnen wel een overzicht te reconstrueren, hoewel dat niet stoelt op een systematische inventarisatie. Slechts van twee tuinblokken beschikken we over broedvogelgegevens over een langere reeks van jaren, namelijk van de zogenaamde ‘gouden bocht‘ van de Herengracht, ten westen van de Leidsestraat en van een binnenblok aan de Keizersgracht, westelijk van de Vijzelstraat.
Zo’n vijftien soorten kunnen we als algemene en vrij regelmatige broedvogel in de binnenstadstuinen verwachten, hoewel sommige zeker niet in alle blokken nestelen. Het gaat om bosvogels als Hout- en Holenduif, Merel en Zanglijster, Tjiftjaf, Winterkoning, Heggenmus, Kool- en Pimpelmees en drie soorten kraaiachtigen: Ekster, Gaai en Zwarte Kraai. Meer aan de straatkant broedende soorten, zoals Gierzwaluw, Boomkruiper en Huismus zijn soms ook in de blokken broedend te vinden.
Tot de meer onregelmatige broedvogels van de binnentuinen behoren acht soorten, die niet jaarlijks en in alle blokken in de grachtengordel tot broeden komen. Dat betreft al zulke min of meer gewone tuinvogels als Roodborst, Groenling, Spreeuw en Kauw. Nog schaarser komen Grauwe Vliegenvanger, Zwartkop, Vink en Turkse Tortel broedend voor.
De laatste vestigde zich voor het eerst in 1966 in de binnenstad, en wel in Artis, waar ze nu ook nog talrijk voorkomt. De Turkse Tortel, die pas begin jaren vijftig voor het eerst in Nederland doordrong, werd vanaf begin jaren zeventig broedend vastgesteld door Van Halm in keurblok XIV (Keizersgracht tussen Nieuwe Spiegelstraat en Vijzelstraat) en door Ruting in keurblok VIII (Herengracht ten westen van de Leidsestraat). Eind jaren tachtig broedde de soort ook in het Begijnhof.

Ruim 20 soorten zijn de afgelopen eeuw enkel incidenteel of zeldzaam broedend vastgesteld:

  • Sperwer: deze roofvogel broedt nog maar pas in het centrum. Mogelijk broedde de soort al begin jaren negentiennegentig in een Herengrachttuin ten westen van de Vijzelstraat. Hier is zeker sedert 1997 een territorium, waar nu al minstens vijf jaar achtereen wordt gebroed. Vanaf 1997 is er nog een tweede territorium aan de westelijke Herengracht (in keurblok V en III). Een derde territorium was er in 1998-1999 in Artis, het jaar erop voortgezet in de tuin van het Tropeninstituut. Door de plaatstrouw van Sperwers worden de betreffende territoria gedurende meerdere jaren aangehouden. Deze ‘grachtengordelsperwers’ hebben een hoog broedsucces.
  • In Artis hebben zich in de eerste helft van de 20ste eeuw incidenteel broedgevallen voorgedaan van Zomertortel, Gekraagde Roodstaart, Kleine Bonte Specht, Roek, Matkopmees en Grote Lijster. Tot midden jaren 1950 broedden daar nog Kerkuilen; deze jaagden in de dierenverblijven op muizen en ratten, die daar op het voer afkwamen.
  • In de jaren 1990 is in Artis na vrijlating uit hun kooi een kleine broedkolonie Kwakken ontstaan; deze nachtreigers vliegen ‘s avonds de dierentuin uit, om op voedseltocht te gaan. Na een mislukte broedpoging in 1998 broedde in 1999 voor het eerst de Halsbandparkiet in Artis (2 paar). Of ze ook al in de Hortus broeden is onzeker.
Met zekerheid hebben 57 verschillende vogelsoorten in de binnenstad gebroed. Daaronder zijn 10 aan water gebonden soorten. Nog eens 10 soorten zijn rotsbewoners of maken gebruik van gebouwen of daken als broedgelegenheid. Voor tweederde handelt het om zang- en bosvogels, voorkomend in het minst beschikbare habitat van tuinen, parken en plantsoenen.
Zonder deze groene longen van de binnenstad zou de vogelstand ineenschrompelen tot minder dan 20 soorten broedvogels. Opmerkelijk is de scheve verhouding tussen gebiedsomvang en soortendiversiteit.

Trekvogels en wintergasten in de binnenstad
De binnenstad wordt ook aangedaan door verschillende soorten trekvogels en wintergasten.

Aan het eind van de zomer vliegen Zwarte Sterns uit Oost-Europa, na een tussenstop op het IJsselmeer, ’s avonds over Amsterdam richting West-Afrika. In het najaar trekken Zweedse Grauwe Ganzen via Waterland door naar Noordwest- en Zuid-Spanje. Kolganzen uit West-Siberië trekken op mooie winterdagen over Amsterdam naar Zeeland of verder naar Zuidwest-Engeland. Van de trekbanen die trekvogels bij Amsterdam volgen, loopt de hoofdroute over Amsterdam-Oost en Zuid-Oost (nl. de vogels afkomstig uit Flevoland en Friesland); een tweede trekbaan loopt over de oostelijke binnenstad, van vogels afkomstig uit het waddengebied en de Noord-Hollandse kust, met name wanneer die een zuidoostelijke koerscorrectie doorvoeren.
Bij noordwester storm verzeilen zeevogels nogal eens tot in het binnenland. Zo zijn er verschillende soorten stormvogels, jagers en alkachtigen aangetroffen tot in de binnenstad van Amsterdam. Vermoedelijk gedesoriënteerd door nachtelijk stadslicht verdwalen soms nachttrekkers in de stad, zoals Waterral, Kleinst Waterhoen (1924), en Kwartel. Bij aanhoudende oostenwind kunnen soms Ooievaars, wouwen en Kraanvogels boven de stad worden gezien. Op de voorjaars- en najaarstrek kunnen in de tuinen, parken en plantsoenen van de binnenstad bosvogels opduiken, die in West-Nederland schaars of zeldzaam zijn. Met name Artis en de grotere binnenblokken worden daarbij aangedaan. Daaronder Bonte Vliegenvanger, Vuurgoudhaantje, Kleine Vliegenvanger (1976) en Withalsvliegenvanger (1829?, 1929, 1947?), Draaihals, Pestvogel, Fluiter, Bladkoning, Nachtzwaluw, Hop, Grauwe en Roodkopklauwier. Tot midden in de winter worden in het centrum Houtsnippen gevonden, die ergens tegen aan gevlogen zijn; kennelijk is deze bosvogel een schaarse wintergast in de binnentuinen.

Vanuit Noord- en Oost-Europa komen de Spreeuwen die overnachten op de Dam, op de Prins Hendrikkade en het Leidseplein. Deze Spreeuwen foerageren ’s winters overdag in de weidegebieden rond Amsterdam en zoeken ’s avonds massaal de beschutte slaapplaatsen in de binnenstad op. In de doortrektijd (oktober/november en maart/april) worden de hoogste aantallen bereikt; exacte tellingen ontbreken echter. Begin jaren negentig is het slapen onder de overkapping van het Centraal Station door middel van netten verhinderd, waarna de vogels naar het Victoriahotel en de Dam zijn verhuisd. De daarop volgende pogingen om de Spreeuwen van het paleis op de Dam te verjagen door het afdraaien van hun alarmroep en het plaatsen van ijzeren pinnen op het gebouw zijn vooralsnog mislukt. De overlast van de Spreeuwen bestaat voornamelijk uit hun uitwerpselen (die vroeger de perrons en het Stationsplein bevuilden), en die op de huidige locaties het steen en marmer van raamdorpels aantasten.

Een bijzondere wintergast in de binnenstad, die als zodanig al bekend is uit de tweede helft van de 19de eeuw, is de Grote Gele Kwikstaart. Jaarlijks kan men hem vanaf eind september terug verwachten. Al tientallen decennia heeft deze fraaie vogel van bergbeken, afkomstig uit Scandinavië, in de binnenstad vaste winterterritoria. Zo kan men ze aantreffen op verschillende plekken in de Plantagebuurt (op de Artissavanne, aan de binnenvijvertjes achter de Rapenburgstraat, aan de Plantage Muidergracht en de Mauritskade). Een slaapplaats was er in oktober/november 1992 aan de Nieuwe Herengracht, tot de verwijdering van enkele struiken, in het Wertheimpark.
Een tweede vaste plek is de singelgracht aan de Nassaukade ter hoogte van het politiebureau bij de Elandsgracht, tot aan de Prinsengracht. De soort foerageert ook op grinddaken met waterplasjes. In december 1999 was er een slaapplaats van een tiental Grote Gele Kwikken aan de Nassaukade, bij het Tweede Marnixplantsoen.

In de loop van de 19de eeuw zijn de grachten meer en meer gaan functioneren als overwinteringsplaats van verschillende soorten meeuwen, die tot dan als ‘zeemeeuwen’ beschouwd werden. Het gaat daarbij om Zilvermeeuwen en Stormmeeuwen die broeden op onze waddeneilanden of in Denemarken, terwijl onze winterse Kokmeeuwen voornamelijk uit de Baltische landen, Polen en Finland afkomstig zijn. Kleine en Grote Mantelmeeuwen zijn meer aan groter water gebonden, zoals de Amstel, het IJ en de singelgrachten. Overwinterende meeuwen houden vaak gedurende de wintermaanden vaste winterstekken aan rond plekken waar mensen brood strooien, of rond vuilstortschepen. Midden in de winter verschijnen daartussen soms zeldzamere soorten, zoals Grote Burgemeester (1941, 1965, 1982), Kleine Burgemeester (1942, 1983/1984, 1997), Geelpoot- en Pontische Meeuw (winter 2001).

In de zachte winter van 1999/2000 zijn de in de stad overwinterende watervogels geïnventariseerd. Toen werden in het centrum ruim 2000 watervogels geteld. De talrijkste soorten bleken Kokmeeuw (>800), Wilde Eend (ca. 600), Meerkoet (430) en Zilvermeeuw (120). Bij strenge vorst, als het buitenwater dichtvriest zoeken de op het IJsselmeer overwinterende eenden het opengebleven stadswater op. Dat brengt dan diverse soorten watervogels in het IJ, op de Amstel en in de singelgrachten. Naast Nonnetjes en Grote Zaagbekken kan men dan ook wel eens zeldzamere eenden of futen aantreffen.

Besluit
We hebben gezien hoe in de binnenstad van Amsterdam het dierenleven aangewezen is op drie verschillende biotopen: het grachtenwater als het primaire biotoop; de bebouwde omgeving met zijn microbiotopen in en om het huis, en het biotoop van het binnenstedelijk groen van particuliere tuinen en openbare plantsoenen. Ieder van deze biotopen is aan veranderingen onderhevig geweest:

  • Het grachtenwater: de verandering van zout en brak naar zoet water door aanleg van de Oranjesluizen en de Afsluitdijk, en het sindsdien spuien van de grachten met zoet IJsselmeerwater. De aansluiting van de grachtengordel op riolering is de laatste belangrijke verandering, met positieve gevolgen voor het dierenleven in het stadswater.
  • De bebouwde omgeving: de uitleg van de binnenstad, eerst met een 17de eeuws grachtenstelsel, vervolgens met een ring van 19de en 20ste eeuwse wijken, die het centrum faunistisch isoleren. De recente veranderingen bestaan uit stadsrenovatie, verbetering van wooncomfort en hygiëne, en woonverdunning.
  • Tuinen en openbaar groen: in de 17de en 18de eeuw worden de oorspronkelijke moestuinen omgezet in particulere binnentuinen, en begint de cultivering van het tuinperceel tot afgesloten privé stadsnatuur. Naast de 18de eeuwse geometrische tuin doet vanaf midden 19de eeuw een romantische of meer natuurlijke tuin zijn intrede. In de 20ste eeuw worden diverse tuinblokken verkleind door de aanleg van binnengebouwen en parkeerplaatsen. In het laatste kwart van de 20ste eeuw worden de binnentuinen door strictere bepalingen tegen binnengebouwen en kap van bomen beschermd. De voor grachtenbomen schadelijke Iepziekte wordt teruggedrongen.
Het waterbiotoop begunstigt het leven van een aantal dieren, niet alleen de aan water gebonden soorten maar ook dieren in de andere biotopen. Met name insekten- en visetende vogels weten daardoor in de binnenstad door te dringen en zich daar ook voort te planten (exemplarisch Blauwe Reiger en Fuut, Gierzwaluw en Huismus).
Grotere insekten, zoals kevers, vlinders, vliegen, bijen en wespen weten zelfstandig tot in het centrum door te dringen. Op verschillende wijze zijn ook landslakken en watermollusken tot diep in de binnenstad doorgedrongen.
Vogelsoorten die meer aan de stadsrand broeden omdat ze afhankelijk zijn van voedselgebieden buiten de stad hebben de opschuivende stadsrand moeten volgen (Ooievaar, Roek, Boeren- en Huiszwaluw). Zoogdieren en amfibieën worden veelal slechts aangetroffen aan de rand van het centrum. Toch zijn er representanten van deze diergroepen die tot in de binnenstad voorkomen (6 soorten vleermuizen, 2 soorten knaagdieren, 3 soorten amfibieën). Nieuwe vogelsoorten koloniseerden recentelijk de binnenstad (Fuut, Meerkoet, Sperwer).

Onder invloed van voor hen ongunstige veranderingen zijn verschillende diersoorten in de loop der tijd uit de binnenstad verdwenen. Diverse van deze verliezen zijn toe te schrijven aan natuurlijke habitatveranderingen, zoals het opschuiven van de stadsrand, de verzoeting van het stadswater, en de verbeterde hygiëne in de woonomgeving. Verschillende soorten zijn meer in het algemeen landelijk of in West-Nederland achteruitgegaan.
Door verbeterd beheer van de beschikbare biotopen en de voortdurende veranderingen daarin ontstonden kansen voor nieuwkomers, zoals visetende vogels en dieren van ouder geboomte (insekten, bosvogels, vleermuizen). Recent zijn een aantal voorheen nogal mensenmijdende soorten de binnenstad in getrokken.

Door de menselijke en natuurlijke dynamiek in de biotopen van de Amsterdamse binnenstad zijn zo nog heel wat verrassingen te verwachten.

De complete tekst van dit essay is te vinden in:
Vlek, R.J.J, 2003, Het wilde dierenleven in het hart van Amsterdam – Een faunistische inventarisatie van het Amsterdamse centrum.In: W. Dijkshoorn. E. de Jong & L. Odé (red.), Van Singel tot Singelgracht, Zwolle (Uitgeverij Waanders)