browsing at: staff » assistant professors & tutors » jacob voorthuis
jacob voorthuis
last updated on 28-01-2010
![]() |
|
Profiel Jacob Voorthuis
Plaatsing
Ik ben geboren te Leiden op 22 januari 1960, en aldaar in 1988 afgestudeerd als kunsthistoricus. In 1996 ben ik gepromoveerd op een interdisciplinair onderwerp waarin architectuurtheorie en filosofie werden gecombineerd in een proefschrift dat zich toespitste op een kritiek van de maatschappelijke rol van het architectonisch ontwerp. Zowel in mijn onderwijsactiviteiten en mijn onderzoek houd ik mij vanuit mijn achtergrond in de architectuurtheorie en de filosofie bezig met de problematiek rond het vermogen ontwerpen en ontwerpbeslissingen te beoordelen. Daarbij richt ik mijzelf met name op de sociaalfysieke ruimte, d.w.z. de relatie tussen de mens en zijn omgeving.
Stellingname afstudeerbegeleiding en onderwijs
Universitair Onderwijs stelt zich tot doel mensen op te leiden om de maatschappij te dienen met adequate kennis, effectieve vaardigheden en een grondig gefundeerde houding. Het universitair onderwijs onderscheidt zich van andere vormen van onderwijs door de voorwaardelijkheid van die competenties ter discussie te stellen en te onderzoeken. Universitair onderwijs beroept zich aldus op een wetenschappelijke houding.
Als afstudeerbegeleider laat ik de rol en de richting van de architectuurtheorie en filosofie door de behoefte van de individuele student bepalen. In het gesprek ontstaat een beeld dat vervolgens door kritische beschouwing, wederzijdse ondervraging en oefening een duidelijke richting krijgt. Studenten moeten hun weg zien te vinden in een indrukwekkend netwerk van mogelijke relaties waarbinnen ze gevraagd worden stelling te nemen. De uitdaging is hierbij te kijken naar de voorwaardelijkheid van een bepaalde stellingname en aldus tot een reflectief evenwicht (Rawls 1972 & 1999) te komen en deze vervolgens te concretiseren in een werkbaar en betoverend ontwerp.
Juist door de voorwaardelijkheid van beslissingen te onderzoeken leren studenten al snel een secure fundering te zoeken voor hun stellingname zoveel mogelijk gevrijwaard van normerende drogredenen en waanideeën. Een bewezen manier om dit te bereiken is de theorie zich te laten vormen en hervormen in de directe kritiek van het onderhavige ontwerp, door intenties te ondervragen, mogelijke consequenties door te nemen, intentionele en contingente gebruiken te bespreken op basis van precedent en de ontwerpen te meten tegen de intenties en behoeften van de vele gebruikersgroepen. Als begeleider is het mijn rol het denken van de student dat de theorie en de praktijk met elkaar verbind onder de loep te nemen. Mijn specifieke aandachtsgebied daarbinnen betreft de sociale consequenties van een ontwerp.
Onderzoek
Vraagstelling 1: Als in de architectuur de gebruiksrelatie een fundamentele relatie betreft, die iedere relatie tussen object, subject omgeving en situatie karakteriseert, is het dan mogelijk vanuit een zorgvuldige omschrijving van het gebruik de heterogene factoren die een zorgvuldige ontwerpbeslissing karakteriseren vergelijkbaar te maken en door middel van de kritische beschouwing op elkaar af te stemmen?
Vraagstelling 2: Kan het model van de rechtvaardigheid voor een complexe maatschappij, waar heterogeniteit en meervoudigheid de centrale uitdaging vormen in het ontwerpen van wetten en regels voor een rechtvaardige maatschappij ook dienen ter verduidelijking van het beoordelen van een architectonisch ontwerp en het rechtvaardigen van een architectonische ontwerpbeslissing?
In de architectuur liggen de voorwaarden voor een goed ontwerp in het gebruik. Mijn uiteindelijk doel is te komen tot een effectief begrip van het gebruik in de architectuur. Dat wil zeggen dat ik me wil toeleggen op een effectieve beschrijving van het concept gebruik in het arena van ons doen, denken en maken en deze te mobiliseren in de constructie van een esthetiek van het gebruik, een ontologie van het gebruik. Het onderzoek spitst zich methodologisch toe op een fenomenologisch pragmaticisme, een manier om het pragmaticistische wereldbeeld te omschrijven zodat het goed aansluit om het fenomenologisch existentialisme waarin ik mij intellectueel thuis voel.
Ons bestaan is geheel doordrongen van de gebruiksrelatie. In zijn meest abstracte vorm kan gebruik worden gedefinieerd als een relatie tussen twee of meerdere zaken dat zich uitdrukt in een effect. Bij intentioneel gebruik toont die relatie een doelmatig of intentioneel karakter doordat het product overeenkomt met verwacht gedrag oftewel de ervaring. Gebruik behoeft derhalve eigenschap: een kwaliteit dat in samenspel met een andere kwaliteit, dat wil zeggen in de relatie, een gevolg levert, en, in het geval van intentioneel gebruik, ook ervaring. Zonder in dit stadium te vervallen in de technische details van het betoog zal ik beargumenteren dat gebruik de territorialisering (Deleuze 1980) van onze omgeving beschrijft in activiteiten zoals bezitten, genieten, verplaatsen, nevenschikking en rangschikking via een objectiverend proces. Een heroverweging van het begrip gebruik kan, naar mijn overtuiging, de relatie tussen het bruikbare en het poëtische, het object en het subject in de relatie, en de discussie over ontwerp en esthetiek communiceerbaar maken. Het doel is een effectief instrument te ontwikkelen ten bate van het ontwerp denken waarbij het mens zijn in een bredere context dan de zelf geplaatst kan worden. De vraag is hoe het gebruik als concept centraal in die relatie geplaatst kan worden. Eén oplossing die ik zal onderzoeken is het complexe lichaam, het lichaam als een dynamische assemblage dat voortdurend bezig is zijn relatie tot de omgeving te re-territorialiseren door de immer politieke grenzen van de smaak te heroverwegen. Hiermee zou de fundamentele rol die architectuur spelt in het morfologische oefenen van de samenleving kunnen worden bevestigd. Hiermee kunnen we onze houding ten aanzien van de architectuur hersitueren om belangrijke ruimtelijke en sociale concepten er bij te betrekken zoals het genereuze en fairness .
Dat brengt me tot een ander voorbeeld waar ik iets dieper op in wil gaan in dit stadium. Mijn onderzoek begint, zoals reeds gezegd, met de vraag: wat betekent het te kunnen zeggen, “dit is een goed ontwerp”? In andere woorden mijn onderzoek begint met de filosofische vraag: Wat zijn de voorwaarden voor het beoordelen van een ontwerp of het rechtvaardigen van een ontwerpbeslissing? Toegegeven dat het hier een onmogelijk brede vraag betreft kunnen we haar niet zondermeer opdelen in deelvragen zonder de oorspronkelijke vraag te trivialiseren. We kunnen haar in dit geval ook niet beantwoorden door een concreet geval of een speciale instantie van goed ontwerpen te onderzoeken zoals dat wel kan tijdens de afstudeerbegeleiding. Zo’n analyse alhoewel het onze ervaring in het beoordelen en ontwerpen ongetwijfeld ten goede zou komen, zou uiteindelijk niet veel meer opleveren dan een willekeurige maatstaf, een enkel punt in de collectieve ervaring van het bouwen vanuit een bepaald perspectief bekeken. Het zou ons zelfs de mogelijkheid voor het formuleren van een overtuigend beginsel kunnen ontnemen. Om deze vraag op een toegankelijke en bruikbare manier te kunnen beantwoorden zullen we ondanks de enormiteit van de uitdaging, het gehele probleem in een keer moeten aangaan; het hele probleem als een filosofische uitdaging.
Door het goede en de rechtvaardiging in deze breedheid te thematiseren komen we terecht in een bijzonder gebied van de esthetica (dat ik volgens Peirce definieer als een discipline dat zich bezig houdt met het omschrijven, definiëren en onderbouwen van begerenswaardige of afkeurenswaardige eigenschappen/kwaliteiten) namelijk de theorie van de rechtvaardigheid.
De rechtvaardigheid als concept beslaat de sfeer in ons denken waarin de mens bewust geplaatst wordt in de context van zijn omgeving ten behoeve van het gebruik: de sociale ruimte waarin de mens een onderdeel vormt van een groter verband en zichzelf moet handhaven. Mijn overtuiging, en het is vooralsnog slechts een overtuiging, is dat het bestuderen van de theorieën van de rechtvaardigheid een secure grond leveren op basis waarvan we onze ontwerpbeslissingen kunnen ontleden. De esthetica van het goede en het rechtvaardige grenst aan een ander belangrijk filosofische discipline, namelijk de ethica, waarbij de voorwaarden voor de afstemming van middelen en einden worden onderzocht. Het gebied van de esthetica van de rechtvaardigheid biedt juist ook daarom een vruchtbare basis voor het beoordelen van een ontwerp en het rechtvaardigen van een ontwerpbeslissing.
Een van de meest overtuigende en werkbare theorieën over de rechtvaardigheid, namelijk die van John Rawls (1972 & 1999) A Theory of Justice betreft een theorie dat hij typeert en zeer vakkundig en systematisch onderzoekt onder de leus: justice as fairness . Rechtvaardigheid, maar met name hoe Rawls komt tot zijn theorie, door het gebruik van filosofische instrumenten als het reflective equilibrium, the veil of ignorance en the difference principle alsmede zijn uitwerking van het concept fairness, the good en liberty leveren een samenhangend betoog op dat, op een toegankelijke manier vruchten afwerpt voor de ethische en esthetische vragen ten aanzien van onze omgeving.
Het boek is onlangs vertaald in het Nederlands. Het gebruik van fairness binnen de Engelse taal levert een spectrum aan denotatieve en connotatieve betekenissen op die Rawls niet uitsluit. Immers zou men door een overenthousiaste precisering van het woord veel van haar rijkdom verliezen. Dat wil overigens niet zeggen dat het woord geen eenduidigheid geniet in het betoog. Met een dergelijk woord, beroept Rawls zich in feite op de traditionelere gronden van de esthetica, de conventionele bewonderenswaardige eigenschappen van de mens maar toont tegelijkertijd hun onderlinge relaties. De technische details van de theorie daargelaten komt Rawls uiteindelijk op een invulling van de rechtvaardigheid als fairness door te stellen dat ongelijkheid in een rechtvaardige maatschappij alleen toegestaan kan worden, (dus als rechtvaardig aangemerkt kan worden) als door die ongelijkheid of sociale differentiatie iedereen er relatief beter van wordt zonder zijn vrijheden te verliezen. Deze regels verheft hij tot de eerste beginselen van een rechtvaardige maatschappij: vrijheid en een rechtmatige distributie van goederen staan in zijn betoog centraal. Mensen moeten vrij zijn hun leven naar eigen inzicht te ontplooien en de distributie van goederen moet fair verlopen. De vele vragen en problemen die een dergelijke stelling voortbrengen kunnen in deze korte omschrijving uiteraard niet worden behandeld. Zij vormen de materie voor mijn onderzoek.
Na de voorwaarden van het goede te hebben onderzocht aan de hand van de rechtvaardigheid volgens Rawls, wil ik de volgende vanzelfsprekende stap zetten. Als goed ontwerpen een geval van rechtvaardig ontwerpen is omdat rechtvaardigheid de mens uitdrukkelijk plaatst in zijn relatie tot het andere; en als het rechtvaardige een kwaliteit betreft waarin gesteld kan worden dat iets rechtvaardig beschreven kan worden als alle gebruikers ondanks een onderlinge differentiatie er relatief beter van worden dan moeten we gaan kijken naar het spectrum aan gebruikers van onze omgeving. Alleen als we een goed en indringend beeld hebben van de partijen die, op welke manier dan ook gebruik maken van onze omgeving, kunnen we hen op een gespecificeerde manier laten meetellen in een rechtvaardig ontwerp. Hier moet zelfs het nieuwe, hoe onervaren we ook zijn ten aanzien van dat nieuwe, een duidelijke rol in hebben. We moeten ook een beeld vormen van wat we wel en vooral ook wat we niet mogen verwachten van de gebruikers.
Het uiteindelijke product van mijn onderzoek zal bestaan uit een beschrijving van het gebruik, een uitwerking van deze theorie, een uitwerking van de relatie tussen die twee en een aantal case histories, waarin de mogelijke consequenties van deze theorie worden onderzocht ten aanzien van de omgeving, de ontwerper en de gebruikers.
Plaatsing
Ik ben geboren te Leiden op 22 januari 1960, en aldaar in 1988 afgestudeerd als kunsthistoricus. In 1996 ben ik gepromoveerd op een interdisciplinair onderwerp waarin architectuurtheorie en filosofie werden gecombineerd in een proefschrift dat zich toespitste op een kritiek van de maatschappelijke rol van het architectonisch ontwerp. Zowel in mijn onderwijsactiviteiten en mijn onderzoek houd ik mij vanuit mijn achtergrond in de architectuurtheorie en de filosofie bezig met de problematiek rond het vermogen ontwerpen en ontwerpbeslissingen te beoordelen. Daarbij richt ik mijzelf met name op de sociaalfysieke ruimte, d.w.z. de relatie tussen de mens en zijn omgeving.
Stellingname afstudeerbegeleiding en onderwijs
Universitair Onderwijs stelt zich tot doel mensen op te leiden om de maatschappij te dienen met adequate kennis, effectieve vaardigheden en een grondig gefundeerde houding. Het universitair onderwijs onderscheidt zich van andere vormen van onderwijs door de voorwaardelijkheid van die competenties ter discussie te stellen en te onderzoeken. Universitair onderwijs beroept zich aldus op een wetenschappelijke houding.
Als afstudeerbegeleider laat ik de rol en de richting van de architectuurtheorie en filosofie door de behoefte van de individuele student bepalen. In het gesprek ontstaat een beeld dat vervolgens door kritische beschouwing, wederzijdse ondervraging en oefening een duidelijke richting krijgt. Studenten moeten hun weg zien te vinden in een indrukwekkend netwerk van mogelijke relaties waarbinnen ze gevraagd worden stelling te nemen. De uitdaging is hierbij te kijken naar de voorwaardelijkheid van een bepaalde stellingname en aldus tot een reflectief evenwicht (Rawls 1972 & 1999) te komen en deze vervolgens te concretiseren in een werkbaar en betoverend ontwerp.
Juist door de voorwaardelijkheid van beslissingen te onderzoeken leren studenten al snel een secure fundering te zoeken voor hun stellingname zoveel mogelijk gevrijwaard van normerende drogredenen en waanideeën. Een bewezen manier om dit te bereiken is de theorie zich te laten vormen en hervormen in de directe kritiek van het onderhavige ontwerp, door intenties te ondervragen, mogelijke consequenties door te nemen, intentionele en contingente gebruiken te bespreken op basis van precedent en de ontwerpen te meten tegen de intenties en behoeften van de vele gebruikersgroepen. Als begeleider is het mijn rol het denken van de student dat de theorie en de praktijk met elkaar verbind onder de loep te nemen. Mijn specifieke aandachtsgebied daarbinnen betreft de sociale consequenties van een ontwerp.
Onderzoek
Vraagstelling 1: Als in de architectuur de gebruiksrelatie een fundamentele relatie betreft, die iedere relatie tussen object, subject omgeving en situatie karakteriseert, is het dan mogelijk vanuit een zorgvuldige omschrijving van het gebruik de heterogene factoren die een zorgvuldige ontwerpbeslissing karakteriseren vergelijkbaar te maken en door middel van de kritische beschouwing op elkaar af te stemmen?
Vraagstelling 2: Kan het model van de rechtvaardigheid voor een complexe maatschappij, waar heterogeniteit en meervoudigheid de centrale uitdaging vormen in het ontwerpen van wetten en regels voor een rechtvaardige maatschappij ook dienen ter verduidelijking van het beoordelen van een architectonisch ontwerp en het rechtvaardigen van een architectonische ontwerpbeslissing?
In de architectuur liggen de voorwaarden voor een goed ontwerp in het gebruik. Mijn uiteindelijk doel is te komen tot een effectief begrip van het gebruik in de architectuur. Dat wil zeggen dat ik me wil toeleggen op een effectieve beschrijving van het concept gebruik in het arena van ons doen, denken en maken en deze te mobiliseren in de constructie van een esthetiek van het gebruik, een ontologie van het gebruik. Het onderzoek spitst zich methodologisch toe op een fenomenologisch pragmaticisme, een manier om het pragmaticistische wereldbeeld te omschrijven zodat het goed aansluit om het fenomenologisch existentialisme waarin ik mij intellectueel thuis voel.
Ons bestaan is geheel doordrongen van de gebruiksrelatie. In zijn meest abstracte vorm kan gebruik worden gedefinieerd als een relatie tussen twee of meerdere zaken dat zich uitdrukt in een effect. Bij intentioneel gebruik toont die relatie een doelmatig of intentioneel karakter doordat het product overeenkomt met verwacht gedrag oftewel de ervaring. Gebruik behoeft derhalve eigenschap: een kwaliteit dat in samenspel met een andere kwaliteit, dat wil zeggen in de relatie, een gevolg levert, en, in het geval van intentioneel gebruik, ook ervaring. Zonder in dit stadium te vervallen in de technische details van het betoog zal ik beargumenteren dat gebruik de territorialisering (Deleuze 1980) van onze omgeving beschrijft in activiteiten zoals bezitten, genieten, verplaatsen, nevenschikking en rangschikking via een objectiverend proces. Een heroverweging van het begrip gebruik kan, naar mijn overtuiging, de relatie tussen het bruikbare en het poëtische, het object en het subject in de relatie, en de discussie over ontwerp en esthetiek communiceerbaar maken. Het doel is een effectief instrument te ontwikkelen ten bate van het ontwerp denken waarbij het mens zijn in een bredere context dan de zelf geplaatst kan worden. De vraag is hoe het gebruik als concept centraal in die relatie geplaatst kan worden. Eén oplossing die ik zal onderzoeken is het complexe lichaam, het lichaam als een dynamische assemblage dat voortdurend bezig is zijn relatie tot de omgeving te re-territorialiseren door de immer politieke grenzen van de smaak te heroverwegen. Hiermee zou de fundamentele rol die architectuur spelt in het morfologische oefenen van de samenleving kunnen worden bevestigd. Hiermee kunnen we onze houding ten aanzien van de architectuur hersitueren om belangrijke ruimtelijke en sociale concepten er bij te betrekken zoals het genereuze en fairness .
Dat brengt me tot een ander voorbeeld waar ik iets dieper op in wil gaan in dit stadium. Mijn onderzoek begint, zoals reeds gezegd, met de vraag: wat betekent het te kunnen zeggen, “dit is een goed ontwerp”? In andere woorden mijn onderzoek begint met de filosofische vraag: Wat zijn de voorwaarden voor het beoordelen van een ontwerp of het rechtvaardigen van een ontwerpbeslissing? Toegegeven dat het hier een onmogelijk brede vraag betreft kunnen we haar niet zondermeer opdelen in deelvragen zonder de oorspronkelijke vraag te trivialiseren. We kunnen haar in dit geval ook niet beantwoorden door een concreet geval of een speciale instantie van goed ontwerpen te onderzoeken zoals dat wel kan tijdens de afstudeerbegeleiding. Zo’n analyse alhoewel het onze ervaring in het beoordelen en ontwerpen ongetwijfeld ten goede zou komen, zou uiteindelijk niet veel meer opleveren dan een willekeurige maatstaf, een enkel punt in de collectieve ervaring van het bouwen vanuit een bepaald perspectief bekeken. Het zou ons zelfs de mogelijkheid voor het formuleren van een overtuigend beginsel kunnen ontnemen. Om deze vraag op een toegankelijke en bruikbare manier te kunnen beantwoorden zullen we ondanks de enormiteit van de uitdaging, het gehele probleem in een keer moeten aangaan; het hele probleem als een filosofische uitdaging.
Door het goede en de rechtvaardiging in deze breedheid te thematiseren komen we terecht in een bijzonder gebied van de esthetica (dat ik volgens Peirce definieer als een discipline dat zich bezig houdt met het omschrijven, definiëren en onderbouwen van begerenswaardige of afkeurenswaardige eigenschappen/kwaliteiten) namelijk de theorie van de rechtvaardigheid.
De rechtvaardigheid als concept beslaat de sfeer in ons denken waarin de mens bewust geplaatst wordt in de context van zijn omgeving ten behoeve van het gebruik: de sociale ruimte waarin de mens een onderdeel vormt van een groter verband en zichzelf moet handhaven. Mijn overtuiging, en het is vooralsnog slechts een overtuiging, is dat het bestuderen van de theorieën van de rechtvaardigheid een secure grond leveren op basis waarvan we onze ontwerpbeslissingen kunnen ontleden. De esthetica van het goede en het rechtvaardige grenst aan een ander belangrijk filosofische discipline, namelijk de ethica, waarbij de voorwaarden voor de afstemming van middelen en einden worden onderzocht. Het gebied van de esthetica van de rechtvaardigheid biedt juist ook daarom een vruchtbare basis voor het beoordelen van een ontwerp en het rechtvaardigen van een ontwerpbeslissing.
Een van de meest overtuigende en werkbare theorieën over de rechtvaardigheid, namelijk die van John Rawls (1972 & 1999) A Theory of Justice betreft een theorie dat hij typeert en zeer vakkundig en systematisch onderzoekt onder de leus: justice as fairness . Rechtvaardigheid, maar met name hoe Rawls komt tot zijn theorie, door het gebruik van filosofische instrumenten als het reflective equilibrium, the veil of ignorance en the difference principle alsmede zijn uitwerking van het concept fairness, the good en liberty leveren een samenhangend betoog op dat, op een toegankelijke manier vruchten afwerpt voor de ethische en esthetische vragen ten aanzien van onze omgeving.
Het boek is onlangs vertaald in het Nederlands. Het gebruik van fairness binnen de Engelse taal levert een spectrum aan denotatieve en connotatieve betekenissen op die Rawls niet uitsluit. Immers zou men door een overenthousiaste precisering van het woord veel van haar rijkdom verliezen. Dat wil overigens niet zeggen dat het woord geen eenduidigheid geniet in het betoog. Met een dergelijk woord, beroept Rawls zich in feite op de traditionelere gronden van de esthetica, de conventionele bewonderenswaardige eigenschappen van de mens maar toont tegelijkertijd hun onderlinge relaties. De technische details van de theorie daargelaten komt Rawls uiteindelijk op een invulling van de rechtvaardigheid als fairness door te stellen dat ongelijkheid in een rechtvaardige maatschappij alleen toegestaan kan worden, (dus als rechtvaardig aangemerkt kan worden) als door die ongelijkheid of sociale differentiatie iedereen er relatief beter van wordt zonder zijn vrijheden te verliezen. Deze regels verheft hij tot de eerste beginselen van een rechtvaardige maatschappij: vrijheid en een rechtmatige distributie van goederen staan in zijn betoog centraal. Mensen moeten vrij zijn hun leven naar eigen inzicht te ontplooien en de distributie van goederen moet fair verlopen. De vele vragen en problemen die een dergelijke stelling voortbrengen kunnen in deze korte omschrijving uiteraard niet worden behandeld. Zij vormen de materie voor mijn onderzoek.
Na de voorwaarden van het goede te hebben onderzocht aan de hand van de rechtvaardigheid volgens Rawls, wil ik de volgende vanzelfsprekende stap zetten. Als goed ontwerpen een geval van rechtvaardig ontwerpen is omdat rechtvaardigheid de mens uitdrukkelijk plaatst in zijn relatie tot het andere; en als het rechtvaardige een kwaliteit betreft waarin gesteld kan worden dat iets rechtvaardig beschreven kan worden als alle gebruikers ondanks een onderlinge differentiatie er relatief beter van worden dan moeten we gaan kijken naar het spectrum aan gebruikers van onze omgeving. Alleen als we een goed en indringend beeld hebben van de partijen die, op welke manier dan ook gebruik maken van onze omgeving, kunnen we hen op een gespecificeerde manier laten meetellen in een rechtvaardig ontwerp. Hier moet zelfs het nieuwe, hoe onervaren we ook zijn ten aanzien van dat nieuwe, een duidelijke rol in hebben. We moeten ook een beeld vormen van wat we wel en vooral ook wat we niet mogen verwachten van de gebruikers.
Het uiteindelijke product van mijn onderzoek zal bestaan uit een beschrijving van het gebruik, een uitwerking van deze theorie, een uitwerking van de relatie tussen die twee en een aantal case histories, waarin de mogelijke consequenties van deze theorie worden onderzocht ten aanzien van de omgeving, de ontwerper en de gebruikers.
ade web site articles by jacob voorthuis
topics » staff member articles
(25-11-2009)
education » database
(19-08-2010)




